BWBR0004052
Geldig vanaf 2012-04-26
Artikel 130
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
1. De werknemer op wie geen voorzieningen, regelingen dan wel verzekeringen als bedoeld in artikel 128van toepassing zijn, kan ten behoeve van zichzelf dan wel voor zijn nagelaten gezinsleden in aanmerking worden gebracht voor een suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen bij ontslag wegens het bereiken van de voor betrokkene geldende pensioengerechtigde leeftijd, overlijden dan wel arbeidsongeschiktheid.
2. Een suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen kan door Onze Minister worden toegekend indien deze van oordeel is dat de voorzieningen, regelingen dan wel verzekeringen, bedoeld in artikel 128, niet leiden tot een geheel van voorzieningen dat, mede gelet op de duur van het dienstverband alsmede de oorzaak en het tijdstip van ontslag, het overlijden of de arbeidsongeschiktheid, passend is te achten, met dien verstande dat geen suppletie wordt verstrekt ingeval verzekeringspremies zijn vergoed, maar niet voor verzekering zijn aangewend. Indien overlijden of arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks gevolg is van de uitoefening van de dienst buiten schuld of onvoorzichtigheid van de werknemer, wordt de duur van het dienstverband fictief bepaald op de periode, gelegen tussen diens indiensttreding en de datum waarop de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt.
3. Het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland ziet erop toe dat in voorkomende gevallen de suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen tijdig wordt aangevraagd, en adviseert Onze Minister desgevraagd met betrekking tot grootte en duur ervan.
2. Een suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen kan door Onze Minister worden toegekend indien deze van oordeel is dat de voorzieningen, regelingen dan wel verzekeringen, bedoeld in artikel 128, niet leiden tot een geheel van voorzieningen dat, mede gelet op de duur van het dienstverband alsmede de oorzaak en het tijdstip van ontslag, het overlijden of de arbeidsongeschiktheid, passend is te achten, met dien verstande dat geen suppletie wordt verstrekt ingeval verzekeringspremies zijn vergoed, maar niet voor verzekering zijn aangewend. Indien overlijden of arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks gevolg is van de uitoefening van de dienst buiten schuld of onvoorzichtigheid van de werknemer, wordt de duur van het dienstverband fictief bepaald op de periode, gelegen tussen diens indiensttreding en de datum waarop de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt.
3. Het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland ziet erop toe dat in voorkomende gevallen de suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen tijdig wordt aangevraagd, en adviseert Onze Minister desgevraagd met betrekking tot grootte en duur ervan.