BWBR0004052
Geldig vanaf 2012-04-26
Artikel 41
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
1. De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van bezoldiging.
2. De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen wettelijke vakantie-uren en bovenwettelijke vakantie-uren.
3. De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:
a. de leeftijd van de ambtenaar;
b. de arbeidsduur van de ambtenaar.
4. Voor de ambtenaar met een volledige arbeidsduur bedraagt de aanspraak op vakantie 144 wettelijke vakantie-uren en 21,6 bovenwettelijke vakantie-uren per kalenderjaar.
5. De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt met bovenwettelijke vakantie-uren verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt.
[tabel]
6. De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.
7. Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die hij in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.
8. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de arbeidsduur verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
9. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van zijn arbeidstijdpatroon in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van zijn arbeidstijdpatroon gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens zijn arbeidstijdpatroon dienst verricht.
10. Het negende lid is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:
a. genoten vakantie;
b. ziekteverlof;
c. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 45a, derde en vierde lid;
d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;
e. verlof verleend op basis van artikel 42a, 43a, 43c, 43d, 43e, 45, 45c of 45d van dit besluit of op basis van hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg;
f. het minder uren werken op basis van de in artikel 40 bedoelde regels.
11. In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat artikel 54f, eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.
12. Met ingang van de dag dat de ambtenaar van 57 jaar of ouder op grond van artikel 38gedeeltelijk geen dienst verricht, vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.
2. De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen wettelijke vakantie-uren en bovenwettelijke vakantie-uren.
3. De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:
a. de leeftijd van de ambtenaar;
b. de arbeidsduur van de ambtenaar.
4. Voor de ambtenaar met een volledige arbeidsduur bedraagt de aanspraak op vakantie 144 wettelijke vakantie-uren en 21,6 bovenwettelijke vakantie-uren per kalenderjaar.
5. De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt met bovenwettelijke vakantie-uren verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt.
[tabel]
6. De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.
7. Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die hij in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.
8. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de arbeidsduur verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
9. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van zijn arbeidstijdpatroon in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van zijn arbeidstijdpatroon gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens zijn arbeidstijdpatroon dienst verricht.
10. Het negende lid is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:
a. genoten vakantie;
b. ziekteverlof;
c. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 45a, derde en vierde lid;
d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;
e. verlof verleend op basis van artikel 42a, 43a, 43c, 43d, 43e, 45, 45c of 45d van dit besluit of op basis van hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg;
f. het minder uren werken op basis van de in artikel 40 bedoelde regels.
11. In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat artikel 54f, eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.
12. Met ingang van de dag dat de ambtenaar van 57 jaar of ouder op grond van artikel 38gedeeltelijk geen dienst verricht, vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.