BWBR0004052
Geldig vanaf 2012-04-26
Artikel 1
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
b. DBZ: Dienst Buitenlandse Zaken;
c. Ambtenaar: de in artikel 5, tweede lid, onder a, bedoelde ambtenaar van de DBZ, tenzij anders blijkt;
d. Werknemer: degene die buiten Nederland op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is genomen voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland;
e. ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement;
f. BBRA 1984: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
g. Functie: Het samenstel van werkzaamheden, door de ambtenaar of werknemer te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen door het daartoe bevoegde gezag aan betrokkene is opgedragen;
h. Arbodienst: de door Onze Minister aangewezen arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
i. Ministeriële regeling: Regeling van Onze Minister;
j. Volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat;
k. Arbeidsduurfactor: een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;
l. deskundige persoon: de door Onze Minister aangewezen deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
m. sector Rijk: de ambtelijke diensten van: 1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
n. bevoegd gezag: Onze Minister.
a. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
b. DBZ: Dienst Buitenlandse Zaken;
c. Ambtenaar: de in artikel 5, tweede lid, onder a, bedoelde ambtenaar van de DBZ, tenzij anders blijkt;
d. Werknemer: degene die buiten Nederland op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is genomen voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland;
e. ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement;
f. BBRA 1984: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
g. Functie: Het samenstel van werkzaamheden, door de ambtenaar of werknemer te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen door het daartoe bevoegde gezag aan betrokkene is opgedragen;
h. Arbodienst: de door Onze Minister aangewezen arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
i. Ministeriële regeling: Regeling van Onze Minister;
j. Volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat;
k. Arbeidsduurfactor: een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;
l. deskundige persoon: de door Onze Minister aangewezen deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
m. sector Rijk: de ambtelijke diensten van: 1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
n. bevoegd gezag: Onze Minister.