BWBR0004052
Geldig vanaf 2012-04-26
Artikel 66
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
1. De ambtenaar die is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.
2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per jaar:
a. voor de basisbedrijfshulpverlener: € 246,38;
b. voor de allroundbedrijfshulpverlener: € 492,74;
c. voor de bedrijfshulpverlener die is aangewezen om leidinggevende taken met betrekking tot bedrijfshulpverlening uit te oefenen: € 739,12.
3. De aanspraak op de vergoeding wordt berekend naar het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van het jaar waarin betrokkene bedrijfshulpverlener was. De vergoeding voor een gedeelte van een jaar wordt berekend naar evenredigheid van het aantal hele maanden dat de aanwijzing tot bedrijfshulpverlener heeft geduurd.
4. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, ontvangt vijf jaar na diens aanwijzing tot bedrijfshulpverlener en vervolgens elke vijf jaar daarna zolang de aanwijzing duurt, een jubileumtoeslag ten bedrage van:
a. € 403,16 na vijf jaar;
b. € 492,74 na tien jaar;
c. € 587,94 na vijftien jaar en na elke vijf jaar daaropvolgend.
5. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/23" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>worden taken in het kader van de bedrijfshulpverlening die in opdracht van het bevoegd gezag als overwerk worden verricht, vergoed voor alle aangewezen ambtenaren en uitsluitend met een bedrag in geld, met dien verstande dat voor elk uur overwerk een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van 125% van het salaris per uur, behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.
6. Indien de bedragen, bedoeld in in <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/58a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 58a, tweede en vierde lid, van het ARAR</a>door Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden aangepast, is die aanpassing van overeenkomstige toepassing op respectievelijk het tweede en vierde lid.
2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per jaar:
a. voor de basisbedrijfshulpverlener: € 246,38;
b. voor de allroundbedrijfshulpverlener: € 492,74;
c. voor de bedrijfshulpverlener die is aangewezen om leidinggevende taken met betrekking tot bedrijfshulpverlening uit te oefenen: € 739,12.
3. De aanspraak op de vergoeding wordt berekend naar het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van het jaar waarin betrokkene bedrijfshulpverlener was. De vergoeding voor een gedeelte van een jaar wordt berekend naar evenredigheid van het aantal hele maanden dat de aanwijzing tot bedrijfshulpverlener heeft geduurd.
4. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, ontvangt vijf jaar na diens aanwijzing tot bedrijfshulpverlener en vervolgens elke vijf jaar daarna zolang de aanwijzing duurt, een jubileumtoeslag ten bedrage van:
a. € 403,16 na vijf jaar;
b. € 492,74 na tien jaar;
c. € 587,94 na vijftien jaar en na elke vijf jaar daaropvolgend.
5. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/23" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>worden taken in het kader van de bedrijfshulpverlening die in opdracht van het bevoegd gezag als overwerk worden verricht, vergoed voor alle aangewezen ambtenaren en uitsluitend met een bedrag in geld, met dien verstande dat voor elk uur overwerk een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van 125% van het salaris per uur, behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.
6. Indien de bedragen, bedoeld in in <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/58a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 58a, tweede en vierde lid, van het ARAR</a>door Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden aangepast, is die aanpassing van overeenkomstige toepassing op respectievelijk het tweede en vierde lid.