BWBR0004052
Geldig vanaf 2012-04-26
Artikel 76a
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
1. De ambtenaar die een functie als bedoeld in het derde lid uitoefent of ten minste drie maanden waarneemt, ontvangt een maandelijkse tegemoetkoming in verband met representatiekosten.
2. In deze bepaling wordt onder representatiekosten verstaan de door de ambtenaar gemaakte of te maken kosten in verband met de eisen die de uitoefening van de functie stelt ten aanzien van het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten, waaronder worden begrepen de kosten in verband met:
a. huur of aanschaf van kleding en schoeisel of andere persoonlijke attributen;
b. aanpassing en inrichting van de eigen woning;
c. persoonlijke verzorging;
d. contributies en lidmaatschappen;
e. ontvangsten van bescheiden omvang in de eigen woning;
f. het aanbieden van lunches, diners en overige consumpties, persoonlijke attenties en geschenken, en
g. fooien.
3. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een percentage van de vergoeding, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/68a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 68a, derde lid, onderdeel a, van het ARAR</a>. Dat percentage is:
a. voor het structurele plaatsvervangerschap van de functie van directeur-generaal: 75% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag;
b. voor de functie van directeur of daarmee door Onze Minister voor de toepassing van dit artikel gelijk te stellen functie: 50% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag;
c. voor een andere functie waaraan representatiekosten zijn verbonden, voor zover deze functie is vermeld op een daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde lijst: het bij die functie vermelde bedrag dat maximaal 25% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag kan zijn.
4. Indien de ambtenaar op grond van het derde lid in aanmerking zou komen voor meer dan één tegemoetkoming ontvangt hij uitsluitend de tegemoetkoming met het hoogste bedrag.
5. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder d, kan in bijzondere gevallen een hogere tegemoetkoming aan de betrokken ambtenaar worden toegekend, die maximaal gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder c.
6. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar in het geheel geen dienst heeft verricht, tenzij het niet verrichten van de dienst het gevolg is van vakantieverlof of ziekte voor zover het de eerste vier weken van de ziekte betreft. De uitbetaling wordt hervat in de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar zijn dienst heeft hervat.
7. De ambtenaar die een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, kan geen representatiekosten declareren.
8. Aan de ambtenaar die geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die kosten voor representatieve activiteiten heeft gemaakt, die niet zijn genoemd in het tweede lid, kunnen daadwerkelijk gemaakte representatiekosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed, indien:
a. het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten plaatsvindt met voorafgaande toestemming van of in opdracht van het bevoegd gezag;
b. de declaratie van representatiekosten is ingediend binnen zes maanden na de kalendermaand waarin de kosten zijn gemaakt, en
c. daarbij door de ambtenaar bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
9. Indien het bedrag, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001950" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 68a, derde lid, onder a, van het ARAR</a>, door Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst wordt aangepast, is die aanpassing van overeenkomstige toepassing op het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder a.
2. In deze bepaling wordt onder representatiekosten verstaan de door de ambtenaar gemaakte of te maken kosten in verband met de eisen die de uitoefening van de functie stelt ten aanzien van het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten, waaronder worden begrepen de kosten in verband met:
a. huur of aanschaf van kleding en schoeisel of andere persoonlijke attributen;
b. aanpassing en inrichting van de eigen woning;
c. persoonlijke verzorging;
d. contributies en lidmaatschappen;
e. ontvangsten van bescheiden omvang in de eigen woning;
f. het aanbieden van lunches, diners en overige consumpties, persoonlijke attenties en geschenken, en
g. fooien.
3. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een percentage van de vergoeding, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/68a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 68a, derde lid, onderdeel a, van het ARAR</a>. Dat percentage is:
a. voor het structurele plaatsvervangerschap van de functie van directeur-generaal: 75% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag;
b. voor de functie van directeur of daarmee door Onze Minister voor de toepassing van dit artikel gelijk te stellen functie: 50% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag;
c. voor een andere functie waaraan representatiekosten zijn verbonden, voor zover deze functie is vermeld op een daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde lijst: het bij die functie vermelde bedrag dat maximaal 25% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag kan zijn.
4. Indien de ambtenaar op grond van het derde lid in aanmerking zou komen voor meer dan één tegemoetkoming ontvangt hij uitsluitend de tegemoetkoming met het hoogste bedrag.
5. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder d, kan in bijzondere gevallen een hogere tegemoetkoming aan de betrokken ambtenaar worden toegekend, die maximaal gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder c.
6. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar in het geheel geen dienst heeft verricht, tenzij het niet verrichten van de dienst het gevolg is van vakantieverlof of ziekte voor zover het de eerste vier weken van de ziekte betreft. De uitbetaling wordt hervat in de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar zijn dienst heeft hervat.
7. De ambtenaar die een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, kan geen representatiekosten declareren.
8. Aan de ambtenaar die geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die kosten voor representatieve activiteiten heeft gemaakt, die niet zijn genoemd in het tweede lid, kunnen daadwerkelijk gemaakte representatiekosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed, indien:
a. het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten plaatsvindt met voorafgaande toestemming van of in opdracht van het bevoegd gezag;
b. de declaratie van representatiekosten is ingediend binnen zes maanden na de kalendermaand waarin de kosten zijn gemaakt, en
c. daarbij door de ambtenaar bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
9. Indien het bedrag, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001950" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 68a, derde lid, onder a, van het ARAR</a>, door Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst wordt aangepast, is die aanpassing van overeenkomstige toepassing op het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder a.