BWBR0003793
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 223
Landinrichtingswet
1. De kosten die ten laste van de gezamenlijke eigenaren komen worden omgeslagen over de kavels naar de mate van het nut, zoals bepaald op grond van de schatting bedoeld in artikel 210, eerste lid, onder a, dat de landinrichting voor de eigenaar heeft gehad, met dien verstande dat
a. geen heffing en invordering plaatsvindt indien de door een eigenaar verschuldigde kosten geringer zijn dan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag;
b. het door een eigenaar te betalen gedeelte der kosten, de waardevermeerdering als gevolg van landinrichting niet te boven gaat.
2. Terzake van het op grond van de lijst der geldelijke regelingen, zoals zij door de rechtbank is gesloten, door de eigenaar verschuldigde bedrag rust op de hem toegedeelde kavels onder de naam van "landinrichtingsrenten", verder te noemen rente, een schuldplichtigheid ten behoeve van het Rijk.
a. geen heffing en invordering plaatsvindt indien de door een eigenaar verschuldigde kosten geringer zijn dan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag;
b. het door een eigenaar te betalen gedeelte der kosten, de waardevermeerdering als gevolg van landinrichting niet te boven gaat.
2. Terzake van het op grond van de lijst der geldelijke regelingen, zoals zij door de rechtbank is gesloten, door de eigenaar verschuldigde bedrag rust op de hem toegedeelde kavels onder de naam van "landinrichtingsrenten", verder te noemen rente, een schuldplichtigheid ten behoeve van het Rijk.