BWBR0003793
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 35
Landinrichtingswet
1. Het landinrichtingsprogramma bevat:
a. de zo nauwkeurig mogelijk bepaalde grenzen van het in te richten gebied alsmede die van ieder tot dat gebied behorend blok;
b. met betrekking tot het in te richten gebied, op de grondslag van de in artikel 20, tweede lid, onder b, bedoelde overwegingen en uitgangspunten: 1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. de aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. de nadere uitwerking van de uitgangspunten en de doeleinden van herinrichting, onderscheidenlijk ruilverkaveling;
4. de aanduiding en de ruimtelijke aspecten van de te treffen maatregelen en voorzieningen;
5. aanduidingen inzake de grondverwerving;
6. een beschrijving van de te verwachten gevolgen van de onder 4 en 5 bedoelde maatregelen en voorzieningen voor de economische toestand met inbegrip van de werkgelegenheid, de leef- en werkomstandigheden, de natuur en het landschap en de gesteldheid van water, bodem en lucht;
7. een voorlopige raming van de kosten en de voorgestelde verdeling daarvan;
1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. de aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. de nadere uitwerking van de uitgangspunten en de doeleinden van herinrichting, onderscheidenlijk ruilverkaveling;
4. de aanduiding en de ruimtelijke aspecten van de te treffen maatregelen en voorzieningen;
5. aanduidingen inzake de grondverwerving;
6. een beschrijving van de te verwachten gevolgen van de onder 4 en 5 bedoelde maatregelen en voorzieningen voor de economische toestand met inbegrip van de werkgelegenheid, de leef- en werkomstandigheden, de natuur en het landschap en de gesteldheid van water, bodem en lucht;
7. een voorlopige raming van de kosten en de voorgestelde verdeling daarvan;
c. een of meer kaarten waarop het onder a en b gestelde alsmede in voorkomende gevallen de in artikel 36 bedoelde beheersgebieden en reservaatsgebieden zoveel mogelijk afzonderlijk worden weergegeven.
2. Onze Minister kan bepalen dat door Onze Minister aangewezen voorzieningen van openbaar nut slechts in het kader van de landinrichting tot stand worden gebracht, indien tussen de landinrichtingscommissie en het betrokken openbaar lichaam overeenstemming is verkregen over de geldelijke bijdrage van het lichaam in de kosten van de verwezenlijking van het landinrichtingsplan en over de voorwaarden waaronder de betaling zal plaatsvinden, en Onze Minister instemt met deze bijdrage en voorwaarden.
a. de zo nauwkeurig mogelijk bepaalde grenzen van het in te richten gebied alsmede die van ieder tot dat gebied behorend blok;
b. met betrekking tot het in te richten gebied, op de grondslag van de in artikel 20, tweede lid, onder b, bedoelde overwegingen en uitgangspunten: 1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. de aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. de nadere uitwerking van de uitgangspunten en de doeleinden van herinrichting, onderscheidenlijk ruilverkaveling;
4. de aanduiding en de ruimtelijke aspecten van de te treffen maatregelen en voorzieningen;
5. aanduidingen inzake de grondverwerving;
6. een beschrijving van de te verwachten gevolgen van de onder 4 en 5 bedoelde maatregelen en voorzieningen voor de economische toestand met inbegrip van de werkgelegenheid, de leef- en werkomstandigheden, de natuur en het landschap en de gesteldheid van water, bodem en lucht;
7. een voorlopige raming van de kosten en de voorgestelde verdeling daarvan;
1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. de aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. de nadere uitwerking van de uitgangspunten en de doeleinden van herinrichting, onderscheidenlijk ruilverkaveling;
4. de aanduiding en de ruimtelijke aspecten van de te treffen maatregelen en voorzieningen;
5. aanduidingen inzake de grondverwerving;
6. een beschrijving van de te verwachten gevolgen van de onder 4 en 5 bedoelde maatregelen en voorzieningen voor de economische toestand met inbegrip van de werkgelegenheid, de leef- en werkomstandigheden, de natuur en het landschap en de gesteldheid van water, bodem en lucht;
7. een voorlopige raming van de kosten en de voorgestelde verdeling daarvan;
c. een of meer kaarten waarop het onder a en b gestelde alsmede in voorkomende gevallen de in artikel 36 bedoelde beheersgebieden en reservaatsgebieden zoveel mogelijk afzonderlijk worden weergegeven.
2. Onze Minister kan bepalen dat door Onze Minister aangewezen voorzieningen van openbaar nut slechts in het kader van de landinrichting tot stand worden gebracht, indien tussen de landinrichtingscommissie en het betrokken openbaar lichaam overeenstemming is verkregen over de geldelijke bijdrage van het lichaam in de kosten van de verwezenlijking van het landinrichtingsplan en over de voorwaarden waaronder de betaling zal plaatsvinden, en Onze Minister instemt met deze bijdrage en voorwaarden.