BWBR0003793
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 152
Landinrichtingswet
1. De landinrichtingscommissie zendt aan de wederpartij van degene, die een pachtovereenkomst ter registratie heeft ingezonden, bij aangetekende brief bericht van de inzending ter registratie.
2. De wederpartij kan zijn bezwaren tegen de registratie binnen veertien dagen na de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde brief schriftelijk aan de landinrichtingscommissie kenbaar maken.
3. Indien overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid bezwaren kenbaar zijn gemaakt, stelt de landinrichtingscommissie, onder vaststelling van die bezwaren, bij aangetekende brief partijen ervan in kennis, dat binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief bij de landinrichtingscommissie dient te worden ingezonden, hetzij een door beide partijen ondertekende akte, waaruit blijkt dat overeenstemming is verkregen, hetzij een gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift, waarbij de meest gerede partij de beslissing van de pachtkamer van de rechtbank van het arrondissement waarin de desbetreffende onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen, heeft ingeroepen. De waarmerking van het afschrift geschiedt door de griffier van de rechtbank.
4. Indien de landinrichtingscommissie bevindt, dat met betrekking tot de ter registratie ingezonden pachtovereenkomst de <a href="/wet/BWBR0002269/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 2</a>, tweede lid, en <a href="/wet/BWBR0002269/artikel/158" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">158 van de Pachtwet</a>( <em>Stb.</em>1958, 37) niet zijn in acht genomen, draagt zij voor zover nodig partijen bij aangetekende brief op de beslissing van de grondkamer in te roepen en binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief een door de secretaris van de grondkamer gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift in te zenden.
5. Indien de landinrichtingscommissie bevindt, dat met betrekking tot de ter registratie ingezonden pachtovereenkomst <a href="/wet/BWBR0002269/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, van de Pachtwet</a>niet in acht is genomen, draagt zij voor zover nodig partijen bij aangetekende brief op de beslissing van de pachtkamer van de rechtbank in te roepen en binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief een door de griffier van de rechtbank gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift in te zenden.
6. Indien aan het bepaalde in het derde-vijfde lid geen gevolg is gegeven, is de landinrichtingscommissie bevoegd met het bestaan der pachtovereenkomst geen rekening te houden.
7. De grondkamer en de pachtkamer van de rechtbank en in beroep de Centrale Grondkamer en de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem behandelen de verzoeken en vorderingen, bedoeld in het derde-vijfde lid, vóór alle andere zaken.
2. De wederpartij kan zijn bezwaren tegen de registratie binnen veertien dagen na de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde brief schriftelijk aan de landinrichtingscommissie kenbaar maken.
3. Indien overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid bezwaren kenbaar zijn gemaakt, stelt de landinrichtingscommissie, onder vaststelling van die bezwaren, bij aangetekende brief partijen ervan in kennis, dat binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief bij de landinrichtingscommissie dient te worden ingezonden, hetzij een door beide partijen ondertekende akte, waaruit blijkt dat overeenstemming is verkregen, hetzij een gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift, waarbij de meest gerede partij de beslissing van de pachtkamer van de rechtbank van het arrondissement waarin de desbetreffende onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen, heeft ingeroepen. De waarmerking van het afschrift geschiedt door de griffier van de rechtbank.
4. Indien de landinrichtingscommissie bevindt, dat met betrekking tot de ter registratie ingezonden pachtovereenkomst de <a href="/wet/BWBR0002269/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 2</a>, tweede lid, en <a href="/wet/BWBR0002269/artikel/158" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">158 van de Pachtwet</a>( <em>Stb.</em>1958, 37) niet zijn in acht genomen, draagt zij voor zover nodig partijen bij aangetekende brief op de beslissing van de grondkamer in te roepen en binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief een door de secretaris van de grondkamer gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift in te zenden.
5. Indien de landinrichtingscommissie bevindt, dat met betrekking tot de ter registratie ingezonden pachtovereenkomst <a href="/wet/BWBR0002269/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, van de Pachtwet</a>niet in acht is genomen, draagt zij voor zover nodig partijen bij aangetekende brief op de beslissing van de pachtkamer van de rechtbank in te roepen en binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief een door de griffier van de rechtbank gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift in te zenden.
6. Indien aan het bepaalde in het derde-vijfde lid geen gevolg is gegeven, is de landinrichtingscommissie bevoegd met het bestaan der pachtovereenkomst geen rekening te houden.
7. De grondkamer en de pachtkamer van de rechtbank en in beroep de Centrale Grondkamer en de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem behandelen de verzoeken en vorderingen, bedoeld in het derde-vijfde lid, vóór alle andere zaken.