BWBR0003793
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 26
Landinrichtingswet
1. Onze Minister stelt binnen een tijdvak van twee jaren na datum van de indiening van het verzoek, als bedoeld in artikel 24, zijn zienswijze daaromtrent op en brengt deze schriftelijk ter kennis van:
a. de colleges van gedeputeerde staten van de provincies,
b. de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten,
c. de waterschappen, op welker grondgebied het verzoek betrekking heeft, alsmede van
d. de indieners van het verzoek of, indien er meer dan vijf indieners zijn, tenminste de eerste vijf ondertekenaars van dit verzoek.
2. De zienswijze bevat:
a. de grenzen van het gebied alsmede ingeval van herinrichting die van de blokken;
b. met betrekking tot het gebied: 1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. een aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. een beschrijving van de wenselijk geachte inrichting;
1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. een aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. een beschrijving van de wenselijk geachte inrichting;
c. op grondslag van het bepaalde onder b en het structuurschema, de motivering of landinrichting al dan niet wenselijk is en zo ja, in welke vorm;
d. de wijze van voorbereiding.
a. de colleges van gedeputeerde staten van de provincies,
b. de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten,
c. de waterschappen, op welker grondgebied het verzoek betrekking heeft, alsmede van
d. de indieners van het verzoek of, indien er meer dan vijf indieners zijn, tenminste de eerste vijf ondertekenaars van dit verzoek.
2. De zienswijze bevat:
a. de grenzen van het gebied alsmede ingeval van herinrichting die van de blokken;
b. met betrekking tot het gebied: 1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. een aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. een beschrijving van de wenselijk geachte inrichting;
1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. een aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. een beschrijving van de wenselijk geachte inrichting;
c. op grondslag van het bepaalde onder b en het structuurschema, de motivering of landinrichting al dan niet wenselijk is en zo ja, in welke vorm;
d. de wijze van voorbereiding.