BWBR0003793
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 19
Landinrichtingswet
1. Gedeputeerde staten doen jaarlijks, elk voor hun provincie, voorstellen aan Onze Minister toekomen ten behoeve van de vaststelling van het voorbereidingsschema.
2. Gedeputeerde staten nemen bij het doen van de in het vorige lid bedoelde voorstellen in aanmerking:
a. het structuurschema;
b. de zienswijze van Onze Minister omtrent een overeenkomstig artikel 23 ingediend verzoek om landinrichting in voorbereiding te nemen;
c. het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een streekplan of een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.
3. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn een vorm van landinrichting voor te stellen aan Onze Minister, die afwijkt van de vorm van landinrichting zoals deze vervat is in het verzoek, als bedoeld in artikel 23, horen zij de indieners van het verzoek, alvorens het voorstel aan Onze Minister toe te zenden.
4. De voorstellen geven voor ieder gebied waarop zij betrekking hebben aan, of herinrichting dan wel ruilverkaveling wordt voorgesteld en of het besluit tot herinrichting dan wel het besluit tot ruilverkaveling wordt voorbereid, hetzij op de wijze als bedoeld in Titel 3-6 van dit Hoofdstuk, hetzij op de wijze als bedoeld in Titel 7 van dit Hoofdstuk.
2. Gedeputeerde staten nemen bij het doen van de in het vorige lid bedoelde voorstellen in aanmerking:
a. het structuurschema;
b. de zienswijze van Onze Minister omtrent een overeenkomstig artikel 23 ingediend verzoek om landinrichting in voorbereiding te nemen;
c. het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een streekplan of een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.
3. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn een vorm van landinrichting voor te stellen aan Onze Minister, die afwijkt van de vorm van landinrichting zoals deze vervat is in het verzoek, als bedoeld in artikel 23, horen zij de indieners van het verzoek, alvorens het voorstel aan Onze Minister toe te zenden.
4. De voorstellen geven voor ieder gebied waarop zij betrekking hebben aan, of herinrichting dan wel ruilverkaveling wordt voorgesteld en of het besluit tot herinrichting dan wel het besluit tot ruilverkaveling wordt voorbereid, hetzij op de wijze als bedoeld in Titel 3-6 van dit Hoofdstuk, hetzij op de wijze als bedoeld in Titel 7 van dit Hoofdstuk.