BWBR0003793
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 9
Landinrichtingswet
1. Wanneer Onze Minister het ten behoeve van de voorbereiding van landinrichting nodig acht, dat grond wordt betreden of daarop gravingen of opmetingen worden verricht of tekens gesteld, moet hij, die de eigendom van de grond heeft of hij, aan wie een beperkt recht toebehoort, waaraan de grond is onderworpen, dan wel de gebruiker van de grond, dit gedogen.
2. De burgemeester is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de in het eerste lid bedoelde gedoogplicht.
3. De schade, die uit de toepassing van het eerste lid voortvloeit, wordt vanwege de Staat vergoed. Het verzoek om schadevergoeding moet worden ingediend bij Onze Minister. Bij geschil over het beloop van de schade wordt dit op verzoek van de meest gerede partij, nadat de wederpartij de gelegenheid heeft gehad haar belangen te verdedigen, door de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de desbetreffende onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen, bij beschikking vastgesteld. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
2. De burgemeester is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de in het eerste lid bedoelde gedoogplicht.
3. De schade, die uit de toepassing van het eerste lid voortvloeit, wordt vanwege de Staat vergoed. Het verzoek om schadevergoeding moet worden ingediend bij Onze Minister. Bij geschil over het beloop van de schade wordt dit op verzoek van de meest gerede partij, nadat de wederpartij de gelegenheid heeft gehad haar belangen te verdedigen, door de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de desbetreffende onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen, bij beschikking vastgesteld. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.