BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 2.5.1.7
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
1. De persoonsgebonden budgetten zijn uitsluitend bestemd voor de betaling van:
a. de kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte zorg als omschreven in artikel 15, eerste lid, onder a en b, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 32, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ ;
b. de kosten verband houdende met secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten.
2. Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde ten aanzien van wie op grond van het Zorgindicatiebesluitzoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 31, onderdelen A, B, E, G en K van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenis afgegeven, waaruit volgt dat de verzekerde voorzienbaar langer dan drie maanden is aangewezen op hulp in de vorm van verpleging of verzorging in de thuissituatie, en aan wie op 31 december 2003 reeds een persoonsgebonden budget was toegekend.
3. Voor een persoonsgebonden budget komt niet in aanmerking de verzekerde die verblijft in een instelling waarin aan personen duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft.
4. Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde die voor de uitvoering van de regeling door het zorgkantoor als zodanig is aangemeld bij de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe zendt het zorgkantoor een door hem ondertekende toekenningsbeschikking naar de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe hanteert de subsidieontvanger de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen.
5. De verzekerde komt slechts voor een persoonsgebonden budget in aanmerking voor zover het zorgonderdelen betreft die niet op andere wijze worden vergoed.
6. Het zorgkantoor stelt voor de toekenning van persoonsgebonden budgetten slechts voorwaarden die voldoen aan deze paragraaf.
7. De periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, vangt niet eerder aan dan op de dag van verzending aan de verzekerde van de toekenningsbeschikking en uiterlijk zes maanden na de datum van de toekenningsbeschikking.
8. De verzekerde komt niet in aanmerking voor een persoonsgebonden budget indien de kosten van het persoonsgebonden budget ten opzichte van de kosten van opname in een instelling naar het oordeel van het zorgkantoor niet verantwoord zijn. De eerste volzin is niet van toepassing indien de opneming blijkens een verklaring van een onafhankelijk medicus niet tot de mogelijkheden behoort.
9. Toekenning en verlenging van het persoonsgebonden budget hebben plaats op aanvraag van de verzekerde.
a. de kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte zorg als omschreven in artikel 15, eerste lid, onder a en b, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 32, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ ;
b. de kosten verband houdende met secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten.
2. Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde ten aanzien van wie op grond van het Zorgindicatiebesluitzoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 31, onderdelen A, B, E, G en K van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenis afgegeven, waaruit volgt dat de verzekerde voorzienbaar langer dan drie maanden is aangewezen op hulp in de vorm van verpleging of verzorging in de thuissituatie, en aan wie op 31 december 2003 reeds een persoonsgebonden budget was toegekend.
3. Voor een persoonsgebonden budget komt niet in aanmerking de verzekerde die verblijft in een instelling waarin aan personen duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft.
4. Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde die voor de uitvoering van de regeling door het zorgkantoor als zodanig is aangemeld bij de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe zendt het zorgkantoor een door hem ondertekende toekenningsbeschikking naar de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe hanteert de subsidieontvanger de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen.
5. De verzekerde komt slechts voor een persoonsgebonden budget in aanmerking voor zover het zorgonderdelen betreft die niet op andere wijze worden vergoed.
6. Het zorgkantoor stelt voor de toekenning van persoonsgebonden budgetten slechts voorwaarden die voldoen aan deze paragraaf.
7. De periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, vangt niet eerder aan dan op de dag van verzending aan de verzekerde van de toekenningsbeschikking en uiterlijk zes maanden na de datum van de toekenningsbeschikking.
8. De verzekerde komt niet in aanmerking voor een persoonsgebonden budget indien de kosten van het persoonsgebonden budget ten opzichte van de kosten van opname in een instelling naar het oordeel van het zorgkantoor niet verantwoord zijn. De eerste volzin is niet van toepassing indien de opneming blijkens een verklaring van een onafhankelijk medicus niet tot de mogelijkheden behoort.
9. Toekenning en verlenging van het persoonsgebonden budget hebben plaats op aanvraag van de verzekerde.