BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 2.5.6.3
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
1. Een zorgkantoor verleent een verzekerde een netto persoonsgebonden budget voorzover:
a. de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op een of meer van de vormen van zorg als bedoeld in artikel 2.5.6.1, onderdeel b of d; en
b. de verzekerde voor die vorm of die vormen van zorg een netto persoonsgebonden budget heeft aangevraagd.
2. In afwijking van het eerste lid weigert het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget indien:
a. de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen anders dan terzake van kortdurend verblijf in een instelling als bedoeld in de AWBZ of de Ziekenfondswet zal verblijven;
b. de verzekerde op grond van een wettelijk voorschrift, anders dan de AWBZ, recht heeft op de geïndiceerde zorg, of op een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan;
c. het zorgkantoor, op advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van die verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van die verzekerde tot gevolg zal hebben;
d. binnen de maximale subsidie, bedoeld in artikel 2.5.6.2, tweede en derde lid, en artikel 2.5.6.2a, tweede en derde lid, geen ruimte voor verlening van een persoonsgebonden budget aanwezig is en de subsidieperiode waarvoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd niet onmiddellijk aansluit op een eerdere subsidieperiode.
3. Tenzij de verzekerde een verzoek als bedoeld in artikel 2.5.6.7, tweede lid, heeft gedaan, weigert het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget indien de kosten van dat budget ten opzichte van de kosten van verblijf in een instelling naar zijn oordeel niet verantwoord zijn.
4. Indien het bruto persoonsgebonden budget meer dan € 300 per dag zou bedragen meldt het zorgkantoor dit onmiddellijk aan het College zorgverzekeringen.
5. Het derde lid is niet van toepassing indien voor verblijf naar het oordeel van een arts, niet zijnde een arts onder wiens behandeling de verzekerde staat, op medische gronden een contra-indicatie bestaat.
6. In afwijking van het eerste lid kan het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget weigeren indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen.
7. Een door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomenaan verzekerden die op 31 december 2004 in aanmerking kwamen voor een vergoeding op grond van paragraaf 2.2.4verstrekt zorgurenoverzicht, wordt gelijk gesteld aan een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, met dien verstande dat op basis van dit zorgurenoverzicht uitsluitend een persoonsgebonden budget voor de functie huishoudelijke verzorging, klasse 1, 2 of 3 kan worden verleend voor de periode 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005.
a. de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op een of meer van de vormen van zorg als bedoeld in artikel 2.5.6.1, onderdeel b of d; en
b. de verzekerde voor die vorm of die vormen van zorg een netto persoonsgebonden budget heeft aangevraagd.
2. In afwijking van het eerste lid weigert het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget indien:
a. de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen anders dan terzake van kortdurend verblijf in een instelling als bedoeld in de AWBZ of de Ziekenfondswet zal verblijven;
b. de verzekerde op grond van een wettelijk voorschrift, anders dan de AWBZ, recht heeft op de geïndiceerde zorg, of op een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan;
c. het zorgkantoor, op advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van die verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van die verzekerde tot gevolg zal hebben;
d. binnen de maximale subsidie, bedoeld in artikel 2.5.6.2, tweede en derde lid, en artikel 2.5.6.2a, tweede en derde lid, geen ruimte voor verlening van een persoonsgebonden budget aanwezig is en de subsidieperiode waarvoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd niet onmiddellijk aansluit op een eerdere subsidieperiode.
3. Tenzij de verzekerde een verzoek als bedoeld in artikel 2.5.6.7, tweede lid, heeft gedaan, weigert het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget indien de kosten van dat budget ten opzichte van de kosten van verblijf in een instelling naar zijn oordeel niet verantwoord zijn.
4. Indien het bruto persoonsgebonden budget meer dan € 300 per dag zou bedragen meldt het zorgkantoor dit onmiddellijk aan het College zorgverzekeringen.
5. Het derde lid is niet van toepassing indien voor verblijf naar het oordeel van een arts, niet zijnde een arts onder wiens behandeling de verzekerde staat, op medische gronden een contra-indicatie bestaat.
6. In afwijking van het eerste lid kan het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget weigeren indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen.
7. Een door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomenaan verzekerden die op 31 december 2004 in aanmerking kwamen voor een vergoeding op grond van paragraaf 2.2.4verstrekt zorgurenoverzicht, wordt gelijk gesteld aan een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, met dien verstande dat op basis van dit zorgurenoverzicht uitsluitend een persoonsgebonden budget voor de functie huishoudelijke verzorging, klasse 1, 2 of 3 kan worden verleend voor de periode 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005.