BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 2.5.1.13
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
1. De periode, waarvoor een persoonsgebonden budget wordt toegekend, bedraagt maximaal de termijn waarvoor het in artikel 2.5.1.7bedoelde indicatiebesluit geldt, met dien verstande dat zij in ieder geval eindigt op 31 december van het subsidiejaar. Bij ongewijzigde omstandigheden wordt de toekenning ambtshalve verlengd tot het einde van de periode waarvoor het indicatiebesluit geldt. De in de tweede volzin bedoelde verlenging heeft niet plaats indien de resterende periode waarvoor het indicatiebesluit geldt korter is dan een maand. De tweede en derde volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een persoonsgebonden budget, ingevolge artikel 1p van de Ziekenfondswet, dat op 31 december 2000 eindigde. Bij de melding van de verlenging van een toegekend persoonsgebonden budget aan de Sociale verzekeringsbank hanteert het zorgkantoor de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen.
2. Een wijziging van een reeds toegekend persoonsgebonden budget gaat steeds in op de eerste dag van een maand. Een persoonsgebonden budget eindigt op de laatste dag van een maand.
3. De toekenningsperiode van het persoonsgebonden budget blijft ongewijzigd bij tussentijdse herindicatie en overige wijzigingen van het budget.
4. De periode waarvoor budget is toegekend, eindigt in ieder geval indien de verzekerde:
schriftelijk te kennen geeft niet langer prijs te stellen op de toekenning van een persoonsgebonden budget;
langer dan twee maanden aaneengesloten is opgenomen in een gezondheidszorginstelling;
gebruik maakt van krachtens de Ziekenfondswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of enigerlei andere regeling of verzekering voor verstrekking of vergoeding in aanmerking komende verzorging of verpleging ten huize van de verzekerde;
binnen twee maanden na aanvang van de budgetperiode nog geen trekkingsrechten heeft geëffectueerd; of
overlijdt.
5. De periode waarvoor het budget is toegekend, eindigt voorts met ingang van de dag waarop een subsidieperiode als bedoeld in artikel 2.5.6.4begint.
6. Bij toepassing van het vierde lid en bij een substantiële verlaging van het budget bij toepassing van artikel 2.5.1.8juncto artikel 2.5.1.9wordt rekening gehouden met de onvermijdbare kosten voor de verzekerde in verband met beëindiging of wijziging van de verplichtingen die de verzekerde aanging in het kader van de besteding van het toegekende budget.
7. Indien de budgetperiode eindigt op 31 december van het subsidiejaar, kan maximaal 10% van de toegekende budgetten in dat subsidiejaar, niet meegerekend een overheveling van niet bestede persoonsgebonden budgetten uit een eerder jaar, worden besteed in daarop aansluitende budgetperioden in het volgende subsidiejaar. Het met toepassing van de eerste volzin overgehevelde bedrag bedraagt niet meer dan het op 31 december van dat subsidiejaar resterende niet bestede persoonsgebonden budget.
2. Een wijziging van een reeds toegekend persoonsgebonden budget gaat steeds in op de eerste dag van een maand. Een persoonsgebonden budget eindigt op de laatste dag van een maand.
3. De toekenningsperiode van het persoonsgebonden budget blijft ongewijzigd bij tussentijdse herindicatie en overige wijzigingen van het budget.
4. De periode waarvoor budget is toegekend, eindigt in ieder geval indien de verzekerde:
schriftelijk te kennen geeft niet langer prijs te stellen op de toekenning van een persoonsgebonden budget;
langer dan twee maanden aaneengesloten is opgenomen in een gezondheidszorginstelling;
gebruik maakt van krachtens de Ziekenfondswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of enigerlei andere regeling of verzekering voor verstrekking of vergoeding in aanmerking komende verzorging of verpleging ten huize van de verzekerde;
binnen twee maanden na aanvang van de budgetperiode nog geen trekkingsrechten heeft geëffectueerd; of
overlijdt.
5. De periode waarvoor het budget is toegekend, eindigt voorts met ingang van de dag waarop een subsidieperiode als bedoeld in artikel 2.5.6.4begint.
6. Bij toepassing van het vierde lid en bij een substantiële verlaging van het budget bij toepassing van artikel 2.5.1.8juncto artikel 2.5.1.9wordt rekening gehouden met de onvermijdbare kosten voor de verzekerde in verband met beëindiging of wijziging van de verplichtingen die de verzekerde aanging in het kader van de besteding van het toegekende budget.
7. Indien de budgetperiode eindigt op 31 december van het subsidiejaar, kan maximaal 10% van de toegekende budgetten in dat subsidiejaar, niet meegerekend een overheveling van niet bestede persoonsgebonden budgetten uit een eerder jaar, worden besteed in daarop aansluitende budgetperioden in het volgende subsidiejaar. Het met toepassing van de eerste volzin overgehevelde bedrag bedraagt niet meer dan het op 31 december van dat subsidiejaar resterende niet bestede persoonsgebonden budget.