BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 2.7.20.9
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
1. De subsidie voor de extra kosten van integrale eerstelijnszorg vanuit een gezondheidscentrum als bedoeld in artikel 2.7.20.2, tweede lid, dat niet meer in de aanloopfase verkeert, bedraagt maximaal het bedrag van de maximale subsidie in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar, vermeerderd met het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vast te stellen percentage voor indexering.
2. De subsidie voor de extra kosten van integrale eerstelijnszorg vanuit een gezondheidscentrum dat in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar in het vijfde jaar van de aanloopfase verkeerde, bedraagt maximaal het bedrag van de maximale subsidie in dat vijfde jaar, exclusief het deel van de subsidie dat betrekking heeft op de aanloopfase, vermeerderd met het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vast te stellen percentage voor indexering.
3. Indien het aantal ziekenfonds- en particuliere patiënten, bedoeld in artikel 2.7.20.5, vierde lid, onder a,
a. in elk van de twee jaren voorafgaand aan het subsidiejaar ten opzichte van het jaar 2002 met 5% of meer is gedaald, wordt het maximale subsidiebedrag verlaagd met het verschil tussen het bedrag van de toeslag voor samenwerkingstijd en overige kosten, berekend op grond van de gegevens van het jaar 2002, en het bedrag van de toeslag voor samenwerkingstijd en overige kosten, berekend op grond van de gegevens van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar;
b. in een subsidiejaar eenmalig met 2000 patiënten of meer is gedaald, wordt het maximale subsidiebedrag verlaagd op grond van de onder a vermelde berekeningsmethode.
4. Indien het aantal ziekenfonds- en particuliere patiënten, bedoeld in artikel 2.7.20.5, vierde lid, onder a,
a. in elk van de twee jaren voorafgaand aan het subsidiejaar ten opzichte van het jaar 2002 met 5% of meer is gestegen, wordt het maximale subsidiebedrag verhoogd met het verschil tussen het bedrag van de toeslag voor samenwerkingstijd en overige kosten, berekend op grond van de gegevens van het jaar 2002, en het bedrag van de toeslag voor samenwerkingstijd en overige kosten, berekend op grond van de gegevens van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar;
b. in een subsidiejaar eenmalig met 2000 patiënten of meer is gestegen, wordt het maximale subsidiebedrag verhoogd op grond van de onder a, vermelde berekeningsmethode.
5. Indien er uittreding of intreding plaatsvindt van een subsidiabele discipline, uitgezonderd de huisarts, bij een gezondheidscentrum als bedoeld in artikel 2.7.20.2, tweede lid, vindt een herberekening plaats van het subsidiebedrag op grond van de onder het derde lid, onder a, en het vierde lid, onder a, vermelde berekeningsmethode.
6. Indien als gevolg van een in de begroting voor het subsidiejaar voorziene nieuw- of verbouw de huisvesting van een gezondheidscentrum wijzigt en de op de huisvesting betrekking hebbende investeringslasten in het subsidiejaar hoger zijn dan de op de huisvesting betrekking hebbende investeringslasten in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar, wordt het maximale subsidiebedrag verhoogd met het verschil tussen het bedrag van de huisvestingstoeslag in de nieuwe situatie en het bedrag van de huisvestingstoeslag in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. De huisvestingstoeslagen worden berekend overeenkomstig de tot 1 januari 2001 geldende regels, waarbij van toepassing is de beleidsregel ‘Bouwvoorschriften College zorgverzekeringen gezondheidscentra’.
7. Toepassing van het vierde, vijfde of zesde lid heeft slechts plaats voor zover het subsidieplafond daarvoor ruimte biedt.
8. Indien het vierde of vijfde lid van toepassing is op meer dan een gezondheidscentrum en het nog beschikbare bedrag niet toereikend is voor alle gezondheidscentra, worden de verschillen, bedoeld in het vierde of vijfde lid, voor die gezondheidscentra in aanmerking genomen naar rato van de volgens het eerste of tweede lid voor die gezondheidscentra geldende maximale subsidiebedragen.
2. De subsidie voor de extra kosten van integrale eerstelijnszorg vanuit een gezondheidscentrum dat in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar in het vijfde jaar van de aanloopfase verkeerde, bedraagt maximaal het bedrag van de maximale subsidie in dat vijfde jaar, exclusief het deel van de subsidie dat betrekking heeft op de aanloopfase, vermeerderd met het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vast te stellen percentage voor indexering.
3. Indien het aantal ziekenfonds- en particuliere patiënten, bedoeld in artikel 2.7.20.5, vierde lid, onder a,
a. in elk van de twee jaren voorafgaand aan het subsidiejaar ten opzichte van het jaar 2002 met 5% of meer is gedaald, wordt het maximale subsidiebedrag verlaagd met het verschil tussen het bedrag van de toeslag voor samenwerkingstijd en overige kosten, berekend op grond van de gegevens van het jaar 2002, en het bedrag van de toeslag voor samenwerkingstijd en overige kosten, berekend op grond van de gegevens van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar;
b. in een subsidiejaar eenmalig met 2000 patiënten of meer is gedaald, wordt het maximale subsidiebedrag verlaagd op grond van de onder a vermelde berekeningsmethode.
4. Indien het aantal ziekenfonds- en particuliere patiënten, bedoeld in artikel 2.7.20.5, vierde lid, onder a,
a. in elk van de twee jaren voorafgaand aan het subsidiejaar ten opzichte van het jaar 2002 met 5% of meer is gestegen, wordt het maximale subsidiebedrag verhoogd met het verschil tussen het bedrag van de toeslag voor samenwerkingstijd en overige kosten, berekend op grond van de gegevens van het jaar 2002, en het bedrag van de toeslag voor samenwerkingstijd en overige kosten, berekend op grond van de gegevens van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar;
b. in een subsidiejaar eenmalig met 2000 patiënten of meer is gestegen, wordt het maximale subsidiebedrag verhoogd op grond van de onder a, vermelde berekeningsmethode.
5. Indien er uittreding of intreding plaatsvindt van een subsidiabele discipline, uitgezonderd de huisarts, bij een gezondheidscentrum als bedoeld in artikel 2.7.20.2, tweede lid, vindt een herberekening plaats van het subsidiebedrag op grond van de onder het derde lid, onder a, en het vierde lid, onder a, vermelde berekeningsmethode.
6. Indien als gevolg van een in de begroting voor het subsidiejaar voorziene nieuw- of verbouw de huisvesting van een gezondheidscentrum wijzigt en de op de huisvesting betrekking hebbende investeringslasten in het subsidiejaar hoger zijn dan de op de huisvesting betrekking hebbende investeringslasten in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar, wordt het maximale subsidiebedrag verhoogd met het verschil tussen het bedrag van de huisvestingstoeslag in de nieuwe situatie en het bedrag van de huisvestingstoeslag in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. De huisvestingstoeslagen worden berekend overeenkomstig de tot 1 januari 2001 geldende regels, waarbij van toepassing is de beleidsregel ‘Bouwvoorschriften College zorgverzekeringen gezondheidscentra’.
7. Toepassing van het vierde, vijfde of zesde lid heeft slechts plaats voor zover het subsidieplafond daarvoor ruimte biedt.
8. Indien het vierde of vijfde lid van toepassing is op meer dan een gezondheidscentrum en het nog beschikbare bedrag niet toereikend is voor alle gezondheidscentra, worden de verschillen, bedoeld in het vierde of vijfde lid, voor die gezondheidscentra in aanmerking genomen naar rato van de volgens het eerste of tweede lid voor die gezondheidscentra geldende maximale subsidiebedragen.