BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 2.7.1.1
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. een tolk gebarentaal: iemand die in het bezit is van een diploma van een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkende opleiding tot tolk Gebarentaal en is ingeschreven in het Register Tolken Gebarentaal;
b. een schrijftolk: een persoon die over een diploma schrijftolk beschikt van het Seminarium van Orthopedagogiek;
c. een tolk in opleiding: een tolk Gebarentaal in opleiding of een schrijftolk voor zover deze opereert als stagiair in het kader van de opleiding leraar/tolk Nederlandse Gebarentaal of de opleiding schrijftolken;
d. communicatie-assistent: een persoon die assisteert bij de communicatie tussen dove en horende mensen;
e. postcodegebied: het gebied dat is vastgesteld op basis van de eerste drie postcodecijfers;
f. doofblinde: een persoon die als gevolg van een combinatie van doof- of slechthorendheid en blind- of slechtziendheid zodanig belemmerd is met betrekking tot informatie, communicatie en mobiliteit, dat hij zonder hulpmiddelen ten behoeve van zichzelf of zijn omgeving, mantelzorg, hulp van vrijwilligers of professionele zorg, niet aan het maatschappelijk leven kan deelnemen.
a. een tolk gebarentaal: iemand die in het bezit is van een diploma van een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkende opleiding tot tolk Gebarentaal en is ingeschreven in het Register Tolken Gebarentaal;
b. een schrijftolk: een persoon die over een diploma schrijftolk beschikt van het Seminarium van Orthopedagogiek;
c. een tolk in opleiding: een tolk Gebarentaal in opleiding of een schrijftolk voor zover deze opereert als stagiair in het kader van de opleiding leraar/tolk Nederlandse Gebarentaal of de opleiding schrijftolken;
d. communicatie-assistent: een persoon die assisteert bij de communicatie tussen dove en horende mensen;
e. postcodegebied: het gebied dat is vastgesteld op basis van de eerste drie postcodecijfers;
f. doofblinde: een persoon die als gevolg van een combinatie van doof- of slechthorendheid en blind- of slechtziendheid zodanig belemmerd is met betrekking tot informatie, communicatie en mobiliteit, dat hij zonder hulpmiddelen ten behoeve van zichzelf of zijn omgeving, mantelzorg, hulp van vrijwilligers of professionele zorg, niet aan het maatschappelijk leven kan deelnemen.