BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 2.5.4.7
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
1. De zorgbehoefte van de verzekerde is schriftelijk in uren begeleiding vastgesteld, waarbij de volgende onderverdeling in vormen van begeleiding wordt gehanteerd:
a. individuele begeleiding;
b. begeleiding aan twee of drie personen;
c. begeleiding aan een groep van vier personen;
d. begeleiding aan een groep van vijf tot en met elf personen;
e. begeleiding aan een groep van meer dan elf personen.
2. Omtrent de toekenning van het persoonsgebonden budget beslist het zorgkantoor na overleg met de verzekerde. De toekenning heeft plaats rekeninghoudend met de in de indicatie vastgestelde en schriftelijk vastgelegde zorgbehoefte.
3. Het toe te kennen persoonsgebonden budget bedraagt per verzekerde per maand het product van het voor die periode vastgestelde aantal uren begeleiding en de in het vijfde lid genoemde uurtarieven.
4. Indien de verzekerde langer dan 6 weken aaneengesloten per jaar in het buitenland verblijft, en daar hulpverleners contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale zekerheidswetgeving, wordt het toe te kennen bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
A: het aantal weken dat de verzekerde in Nederland verblijft;
B: het getal 52;
C: het budget waarvoor de verzekerde op grond van zijn zorgbehoefte in aanmerking komt;
D: het aantal weken dat de verzekerde in het buitenland verblijft;
E: het voor het betreffende land door het College zorgverzekeringen vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage.
5. De uurtarieven voor in het eerste lid bedoelde zorgvormen bedragen:
a. individuele begeleiding: € 50,15;
b. begeleiding aan twee of drie personen: € 25,08;
c. begeleiding aan een groep van vier personen: € 16,64;
d. begeleiding aan een groep van vijf tot en met elf personen: € 9,98;
e. begeleiding aan een groep van meer dan elf personen: € 8,18.
6. Het zorgkantoor kent aan een verzekerde een lager budget toe dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het tweede en derde lid indien:
a. de verzekerde een lager budget vraagt; of
b. de verzekerde in de periode voorafgaande aan de nieuwe toekenningsperiode minimaal 10% van zijn persoonsgebonden budget niet heeft besteed, tenzij uit een herindicatie blijkt dat de zorgvraag is toegenomen.
a. individuele begeleiding;
b. begeleiding aan twee of drie personen;
c. begeleiding aan een groep van vier personen;
d. begeleiding aan een groep van vijf tot en met elf personen;
e. begeleiding aan een groep van meer dan elf personen.
2. Omtrent de toekenning van het persoonsgebonden budget beslist het zorgkantoor na overleg met de verzekerde. De toekenning heeft plaats rekeninghoudend met de in de indicatie vastgestelde en schriftelijk vastgelegde zorgbehoefte.
3. Het toe te kennen persoonsgebonden budget bedraagt per verzekerde per maand het product van het voor die periode vastgestelde aantal uren begeleiding en de in het vijfde lid genoemde uurtarieven.
4. Indien de verzekerde langer dan 6 weken aaneengesloten per jaar in het buitenland verblijft, en daar hulpverleners contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale zekerheidswetgeving, wordt het toe te kennen bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
A: het aantal weken dat de verzekerde in Nederland verblijft;
B: het getal 52;
C: het budget waarvoor de verzekerde op grond van zijn zorgbehoefte in aanmerking komt;
D: het aantal weken dat de verzekerde in het buitenland verblijft;
E: het voor het betreffende land door het College zorgverzekeringen vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage.
5. De uurtarieven voor in het eerste lid bedoelde zorgvormen bedragen:
a. individuele begeleiding: € 50,15;
b. begeleiding aan twee of drie personen: € 25,08;
c. begeleiding aan een groep van vier personen: € 16,64;
d. begeleiding aan een groep van vijf tot en met elf personen: € 9,98;
e. begeleiding aan een groep van meer dan elf personen: € 8,18.
6. Het zorgkantoor kent aan een verzekerde een lager budget toe dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het tweede en derde lid indien:
a. de verzekerde een lager budget vraagt; of
b. de verzekerde in de periode voorafgaande aan de nieuwe toekenningsperiode minimaal 10% van zijn persoonsgebonden budget niet heeft besteed, tenzij uit een herindicatie blijkt dat de zorgvraag is toegenomen.