BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 4.1.1.c
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
1. Indien aan de verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de verlening van een netto persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.5.6een persoonsgebonden budget is verstrekt op grond van paragraaf 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5, bedraagt het netto persoonsgebonden budget voor de eerste drie maanden ten minste 25% van het op grond van die paragrafen op jaarbasis vastgestelde of, indien de vaststelling nog niet is geschied, verleende persoonsgebonden budget.
2. Indien de verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de subsidieperiode een persoonsgebonden budget werd verleend als bedoeld in de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5en het voor het laatste jaar van dat budget of die budgetten beschikbare bedrag niet volledig werd besteed, wordt het netto persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.5.6verhoogd met een bedrag gelijk aan dit niet bestede deel.
3. In afwijking van het tweede lid wordt het netto persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.5.6verhoogd met een bedrag gelijk aan het niet bestede deel van het op grond van de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5voor het laatste subsidiejaar beschikbare bedrag, maar ten hoogste 10% daarvan, indien de subsidieperiode aanvangt op 1 januari van enig kalenderjaar.
4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt voor de berekening van het voor de daar bedoelde overheveling beschikbare bedrag geen rekening gehouden met wijzigingen in eigen bijdragen die na afloop van de subsidieperiode van de budgetten als bedoeld in de paragrafen 2.5.1of 2.5.5bekend worden.
5. Indien een verzekerde aan wie een budget als bedoeld in de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5is verleend, uitsluitend om andere redenen dan de afloop van de subsidieperiode een budget als bedoeld in paragraaf 2.5.6aanvraagt, en laatstbedoeld budget hem wordt verleend, vangt, in afwijking van artikel 2.5.6.4, de subsidieperiode van laatstbedoeld budget niet eerder aan dan de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop het aan dat budget ten grondslag liggende indicatiebesluit, doch altijd op de eerste dag van de maand is afgegeven.
6. Indien een verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de subsidieperiode een persoonsgebonden budget werd verleend als bedoeld in de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5wordt in artikel 2.5.6.7, vijfde lid, onder het bedrag dat op grond van het eerste en tweede lid voor het eerdere jaar werd berekend verstaan het bedrag dat op grond van artikel 4.1.1c, eerste lid, werd berekend en het persoonsgebonden budget dat onmiddellijk voorafgaande aan de subsidieperiode voor het eerdere jaar werd verleend op grond van de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5.
7. Voor de toepassing van artikel 2.5.6.3, tweede lid, onderdeel d, wordt onder ‘eerdere subsidieperiode’ ook verstaan ‘eerdere subsidieperiode op grond van paragraaf 2.2.4, 2.5.1, 2.5.2of 2.5.5’.
2. Indien de verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de subsidieperiode een persoonsgebonden budget werd verleend als bedoeld in de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5en het voor het laatste jaar van dat budget of die budgetten beschikbare bedrag niet volledig werd besteed, wordt het netto persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.5.6verhoogd met een bedrag gelijk aan dit niet bestede deel.
3. In afwijking van het tweede lid wordt het netto persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.5.6verhoogd met een bedrag gelijk aan het niet bestede deel van het op grond van de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5voor het laatste subsidiejaar beschikbare bedrag, maar ten hoogste 10% daarvan, indien de subsidieperiode aanvangt op 1 januari van enig kalenderjaar.
4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt voor de berekening van het voor de daar bedoelde overheveling beschikbare bedrag geen rekening gehouden met wijzigingen in eigen bijdragen die na afloop van de subsidieperiode van de budgetten als bedoeld in de paragrafen 2.5.1of 2.5.5bekend worden.
5. Indien een verzekerde aan wie een budget als bedoeld in de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5is verleend, uitsluitend om andere redenen dan de afloop van de subsidieperiode een budget als bedoeld in paragraaf 2.5.6aanvraagt, en laatstbedoeld budget hem wordt verleend, vangt, in afwijking van artikel 2.5.6.4, de subsidieperiode van laatstbedoeld budget niet eerder aan dan de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop het aan dat budget ten grondslag liggende indicatiebesluit, doch altijd op de eerste dag van de maand is afgegeven.
6. Indien een verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de subsidieperiode een persoonsgebonden budget werd verleend als bedoeld in de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5wordt in artikel 2.5.6.7, vijfde lid, onder het bedrag dat op grond van het eerste en tweede lid voor het eerdere jaar werd berekend verstaan het bedrag dat op grond van artikel 4.1.1c, eerste lid, werd berekend en het persoonsgebonden budget dat onmiddellijk voorafgaande aan de subsidieperiode voor het eerdere jaar werd verleend op grond van de paragrafen 2.5.1, 2.5.2, 2.5.4of 2.5.5.
7. Voor de toepassing van artikel 2.5.6.3, tweede lid, onderdeel d, wordt onder ‘eerdere subsidieperiode’ ook verstaan ‘eerdere subsidieperiode op grond van paragraaf 2.2.4, 2.5.1, 2.5.2of 2.5.5’.