BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 2.5.4.12
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
1. De periode waarvoor een persoonsgebonden budget wordt toegekend, bedraagt maximaal de termijn waarvoor de indicatie, bedoeld in artikel 2.5.4.6, tweede lid, geldt.
2. Een wijziging van een reeds toegekend persoonsgebonden budget gaat steeds in op de eerste dag van een maand. Het persoonsgebonden budget eindigt op de laatste dag van een maand.
3. De toekenningsperiode van het persoonsgebonden budget blijft ongewijzigd bij tussentijdse herindicatie en overige wijzigingen van het budget.
4. De periode, waarvoor een persoonsgebonden budget is toegekend, eindigt in elk geval indien de verzekerde:
schriftelijk te kennen geeft niet langer prijs te stellen op de toekenning van een budget;
geestelijke gezondheidszorg, waarvan begeleiding onderdeel is, in natura ontvangt;
binnen twee maanden na aanvang van de budgetperiode nog geen trekkingsrechten heeft geëffectueerd;
indien de verzekerde langer dan twee maanden aaneengesloten is opgenomen in een gezondheidszorginstelling; of
overlijdt.
5. De periode waarvoor het budget is toegekend, eindigt voorts met ingang van de dag waarop een subsidieperiode als bedoeld in artikel 2.5.6.4begint.
6. Bij toepassing van het vierde lid en bij een substantiële verlaging van het budget bij toepassing van artikel 2.5.4.7juncto artikel 2.5.4.10wordt rekening gehouden met de onvermijdbare kosten voor verzekerde in verband met beëindiging of wijziging van de verplichtingen die de verzekerde is aangegaan in het kader van de besteding van het toegekende budget.
7. Indien de budgetperiode eindigt op 31 december van het subsidiejaar, kan maximaal 10% van de toegekende budgetten in dat subsidiejaar, niet meegerekend een overheveling van niet bestede persoonsgebonden budgetten uit een eerder jaar, worden besteed in daarop aansluitende budgetperioden in het volgende subsidiejaar. Het met toepassing van de eerste volzin overgehevelde bedrag bedraagt niet meer dan het op 31 december van dat subsidiejaar resterende niet bestede persoonsgebonden budget.
2. Een wijziging van een reeds toegekend persoonsgebonden budget gaat steeds in op de eerste dag van een maand. Het persoonsgebonden budget eindigt op de laatste dag van een maand.
3. De toekenningsperiode van het persoonsgebonden budget blijft ongewijzigd bij tussentijdse herindicatie en overige wijzigingen van het budget.
4. De periode, waarvoor een persoonsgebonden budget is toegekend, eindigt in elk geval indien de verzekerde:
schriftelijk te kennen geeft niet langer prijs te stellen op de toekenning van een budget;
geestelijke gezondheidszorg, waarvan begeleiding onderdeel is, in natura ontvangt;
binnen twee maanden na aanvang van de budgetperiode nog geen trekkingsrechten heeft geëffectueerd;
indien de verzekerde langer dan twee maanden aaneengesloten is opgenomen in een gezondheidszorginstelling; of
overlijdt.
5. De periode waarvoor het budget is toegekend, eindigt voorts met ingang van de dag waarop een subsidieperiode als bedoeld in artikel 2.5.6.4begint.
6. Bij toepassing van het vierde lid en bij een substantiële verlaging van het budget bij toepassing van artikel 2.5.4.7juncto artikel 2.5.4.10wordt rekening gehouden met de onvermijdbare kosten voor verzekerde in verband met beëindiging of wijziging van de verplichtingen die de verzekerde is aangegaan in het kader van de besteding van het toegekende budget.
7. Indien de budgetperiode eindigt op 31 december van het subsidiejaar, kan maximaal 10% van de toegekende budgetten in dat subsidiejaar, niet meegerekend een overheveling van niet bestede persoonsgebonden budgetten uit een eerder jaar, worden besteed in daarop aansluitende budgetperioden in het volgende subsidiejaar. Het met toepassing van de eerste volzin overgehevelde bedrag bedraagt niet meer dan het op 31 december van dat subsidiejaar resterende niet bestede persoonsgebonden budget.