BWBR0011837
Geldig vanaf 2000-12-02
Artikel 2.5.6.6
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
1. De verzekerde van achttien jaar of ouder is een eigen bijdrage verschuldigd. Deze eigen bijdrage bedraagt:
a. 60% van het bruto persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging;
b. 33% van het bruto persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging;
c. 20% van het bruto persoonsgebonden budget voor verpleging;
d. 27% van het bruto persoonsgebonden budget voor ondersteunende en activerende begeleiding.
2. De verzekerde is per kalenderjaar aan bijdragen als bedoeld in het eerste lid niet meer verschuldigd dan 15% van het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg, verminderd met € 1848,40, met dien verstande dat hij ten minste € 210,08 en ten hoogste € 6.978,40 is verschuldigd. De artikelen 1, 16en 16e van het Bijdragebesluit zorgzijn van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de uitvoering van het tweede lid kan het zorgkantoor uitgaan van het verzamelinkomen in het kalenderjaar voorafgaande aan het peiljaar indien aan de verzekerde op 31 december van het voorgaande kalenderjaar een persoonsgebonden budget is verleend en het verzamelinkomen in het peiljaar op 1 maart van het kalenderjaar niet bekend is bij het zorgkantoor.
a. 60% van het bruto persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging;
b. 33% van het bruto persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging;
c. 20% van het bruto persoonsgebonden budget voor verpleging;
d. 27% van het bruto persoonsgebonden budget voor ondersteunende en activerende begeleiding.
2. De verzekerde is per kalenderjaar aan bijdragen als bedoeld in het eerste lid niet meer verschuldigd dan 15% van het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg, verminderd met € 1848,40, met dien verstande dat hij ten minste € 210,08 en ten hoogste € 6.978,40 is verschuldigd. De artikelen 1, 16en 16e van het Bijdragebesluit zorgzijn van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de uitvoering van het tweede lid kan het zorgkantoor uitgaan van het verzamelinkomen in het kalenderjaar voorafgaande aan het peiljaar indien aan de verzekerde op 31 december van het voorgaande kalenderjaar een persoonsgebonden budget is verleend en het verzamelinkomen in het peiljaar op 1 maart van het kalenderjaar niet bekend is bij het zorgkantoor.