BWBR0002614
Geldig vanaf 2005-10-06
Artikel 9b
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
1. Aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, bestaat slechts indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen. De verzekerde vermeldt bij de aanvraag zijn burgerservicenummer.
2. In afwijking van het eerste lid worden er bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld voor gevallen waarin het besluit niet afgewacht kan worden.
3. De aanspraak op andere vormen van zorg dan die zijn aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, kan slechts tot gelding worden gebracht voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, daarop naar aard, inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld door wie en op welke wijze wordt beoordeeld of de verzekerde aangewezen is op een bepaalde vorm van zorg. Deze regels zijn zodanig dat wordt gewaarborgd dat de beoordeling onafhankelijk geschiedt.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid hebben cliënten als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>slechts aanspraak op zorg aangewezen krachtens <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5, tweede lid, onder b en c, van die wet</a>, indien de stichting die werkzaam is in de provincie waar de betrokken jeugdige duurzaam verblijft een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. De regels gesteld krachtens <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>zijn van toepassing.
5. Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van zorg als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5, tweede lid, onder b, van de Wet op de jeugdzorg</a>, met betrekking tot een jeugdige van wie een beroepsbeoefenaar, behorende tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen beroepsgroep of een daarmee in die maatregel gelijkgestelde behandelaar, een redelijk vermoeden heeft dat bij de jeugdige sprake is van een bij of krachtens die maatregel aangewezen psychische stoornis van een bij die maatregel aan te geven ernst en tevens het vermoeden heeft dat de jeugdige, zijn ouders, stiefouders of anderen die de jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, niet zijn aangewezen op jeugdzorg waarop aanspraak bestaat op grond van de <a href="/wet/BWBR0016637" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de jeugdzorg</a>of de <a href="/wet/BWBR0011756" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>. Bij de maatregel, bedoeld in de eerste volzin, worden tevens regels gesteld omtrent de informatie die de beroepsbeoefenaar in een geval als bedoeld in die volzin verstrekt aan de betrokken stichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>.
6. Op het indicatieorgaan, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde bij of krachtens artikel 52, tweede tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid.
2. In afwijking van het eerste lid worden er bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld voor gevallen waarin het besluit niet afgewacht kan worden.
3. De aanspraak op andere vormen van zorg dan die zijn aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, kan slechts tot gelding worden gebracht voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, daarop naar aard, inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld door wie en op welke wijze wordt beoordeeld of de verzekerde aangewezen is op een bepaalde vorm van zorg. Deze regels zijn zodanig dat wordt gewaarborgd dat de beoordeling onafhankelijk geschiedt.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid hebben cliënten als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>slechts aanspraak op zorg aangewezen krachtens <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5, tweede lid, onder b en c, van die wet</a>, indien de stichting die werkzaam is in de provincie waar de betrokken jeugdige duurzaam verblijft een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. De regels gesteld krachtens <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>zijn van toepassing.
5. Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van zorg als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5, tweede lid, onder b, van de Wet op de jeugdzorg</a>, met betrekking tot een jeugdige van wie een beroepsbeoefenaar, behorende tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen beroepsgroep of een daarmee in die maatregel gelijkgestelde behandelaar, een redelijk vermoeden heeft dat bij de jeugdige sprake is van een bij of krachtens die maatregel aangewezen psychische stoornis van een bij die maatregel aan te geven ernst en tevens het vermoeden heeft dat de jeugdige, zijn ouders, stiefouders of anderen die de jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, niet zijn aangewezen op jeugdzorg waarop aanspraak bestaat op grond van de <a href="/wet/BWBR0016637" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de jeugdzorg</a>of de <a href="/wet/BWBR0011756" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>. Bij de maatregel, bedoeld in de eerste volzin, worden tevens regels gesteld omtrent de informatie die de beroepsbeoefenaar in een geval als bedoeld in die volzin verstrekt aan de betrokken stichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>.
6. Op het indicatieorgaan, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde bij of krachtens artikel 52, tweede tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid.