BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 90c
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Onze Minister of de Bank kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 7, 7a, eerste en tweede lid, 7b, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11, eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 13, 14, eerste, tweede, zevende, achtste en negende lid, 15, vijfde lid, 16, eerste, tweede, vijfde, zesde en achtste lid, 16a, eerste, tweede, vijfde, en zesde lid, 16b, eerste, tweede en derde lid, 16c, eerste, tweede en vierde lid, 17, eerste en tweede lid, 20, eerste lid, tweede lid, vierde volzin, en vierde lid, tweede volzin, 21, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22a, 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25, eerste lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, 27, eerste en tweede lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 30b, eerste lid, 30c, eerste lid, 30ca, eerste lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid, onder a, onder b, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a en onder b, 36, 37, 38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid, 43, 44, 48, eerste, tweede en vijfde lid, 49, eerste en tweede lid, 50, eerste en tweede lid, 51, 54, tweede lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrechten het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 55, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 56, eerste, tweede en derde lid, 56a, 57, 58, eerste en tweede lid, 61, derde lid, eerste volzin, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 66, tweede lid, 66a, tweede lid, 69, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede, derde en vierde lid, 85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat indien deze door de Minister van Financiën is opgelegd, of aan de Bank indien deze door haar is opgelegd.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vijfde en zesde lid van artikel 90bzijn van overeenkomstige toepassing.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat indien deze door de Minister van Financiën is opgelegd, of aan de Bank indien deze door haar is opgelegd.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vijfde en zesde lid van artikel 90bzijn van overeenkomstige toepassing.