BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 81
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Onze minister kan bepalen dat
a. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9, de Bank de behandeling van door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 voor een bepaalde termijn opschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 8, derde lid, dan wel dat de Bank slechts een door Onze minister te bepalen aantal door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 zal verlenen; en
b. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 24 en 26 de behandeling van door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor een bepaalde termijn worden opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 26, vierde lid, dan wel dat slechts een door Onze minister te bepalen aantal door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, zullen worden verleend; en
c. in afwijking van het bepaalde in artikel 30d de beslissing van de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 30d, derde lid, dan wel dat de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, slechts in een door Onze minister te bepalen aantal gevallen meedeelt dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen; en.
d. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 31 onderscheidenlijk 32 dan wel 32a het bepaalde in de artikelen 38 tot en met 44 onderscheidenlijk 82 van toepassing is op in een Staat, niet zijnde een Staat die lid is van de Unie, die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde ondernemingen of instellingen die een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning verkrijgen en die dochtermaatschappij zijn van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedoelde dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen tevens dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen zijn van in één van de Lid-Staten gevestigde ondernemingen of instellingen die een voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning hebben verkregen.
3. De Bank doet onverwijld mededeling aan Onze minister van iedere aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a, van iedere aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, en van iedere inkennisstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c.
4. Onze minister kan bepalen dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 9, de Bank voor bijkantoren in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 38, eerste lidweigert dan wel slechts verleent onder het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften met inachtneming van door Onze minister te stellen richtlijnen.
5. Indien een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in het tweede lid die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lidonder het stellen van beperkingen dan wel het verbinden van voorschriften heeft verkregen, een handeling verricht zonder dat alle bij die vergunning gestelde beperkingen respectievelijk alle aan de vergunning verbonden voorschriften zijn nagekomen, is die kredietinstelling gehouden binnen een door de Bank te stellen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken of aan de niet nagekomen beperkingen alsnog te voldoen respectievelijk de niet nagekomen voorschriften alsnog te vervullen.
6. Een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lidkan door de Bank worden ingetrokken indien niet binnen de door de Bank gestelde termijn aan het bepaalde in het vijfde lid is voldaan. Alsdan is artikel 15 tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
a. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9, de Bank de behandeling van door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 voor een bepaalde termijn opschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 8, derde lid, dan wel dat de Bank slechts een door Onze minister te bepalen aantal door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 zal verlenen; en
b. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 24 en 26 de behandeling van door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor een bepaalde termijn worden opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 26, vierde lid, dan wel dat slechts een door Onze minister te bepalen aantal door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, zullen worden verleend; en
c. in afwijking van het bepaalde in artikel 30d de beslissing van de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 30d, derde lid, dan wel dat de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, slechts in een door Onze minister te bepalen aantal gevallen meedeelt dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen; en.
d. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 31 onderscheidenlijk 32 dan wel 32a het bepaalde in de artikelen 38 tot en met 44 onderscheidenlijk 82 van toepassing is op in een Staat, niet zijnde een Staat die lid is van de Unie, die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde ondernemingen of instellingen die een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning verkrijgen en die dochtermaatschappij zijn van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedoelde dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen tevens dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen zijn van in één van de Lid-Staten gevestigde ondernemingen of instellingen die een voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning hebben verkregen.
3. De Bank doet onverwijld mededeling aan Onze minister van iedere aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a, van iedere aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, en van iedere inkennisstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c.
4. Onze minister kan bepalen dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 9, de Bank voor bijkantoren in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 38, eerste lidweigert dan wel slechts verleent onder het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften met inachtneming van door Onze minister te stellen richtlijnen.
5. Indien een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in het tweede lid die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lidonder het stellen van beperkingen dan wel het verbinden van voorschriften heeft verkregen, een handeling verricht zonder dat alle bij die vergunning gestelde beperkingen respectievelijk alle aan de vergunning verbonden voorschriften zijn nagekomen, is die kredietinstelling gehouden binnen een door de Bank te stellen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken of aan de niet nagekomen beperkingen alsnog te voldoen respectievelijk de niet nagekomen voorschriften alsnog te vervullen.
6. Een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lidkan door de Bank worden ingetrokken indien niet binnen de door de Bank gestelde termijn aan het bepaalde in het vijfde lid is voldaan. Alsdan is artikel 15 tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.