BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 9
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. De Bank verleent de vergunning, tenzij:
a. de onderneming of instelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 10 en 11 bepaalde;
b. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen, die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;
c. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van één of meer personen, die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, niet buiten twijfel staat.
d. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde dagelijks beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;
e. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van een of meer personen, die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.
f. de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 24, van oordeel is, dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in de onderneming of instelling van een invloed op de onderneming of instelling sprake is of zou kunnen zijn, die in strijd is met een gezond bankbeleid;
g. de verklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder f, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening of openingsbalans een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de onderneming of instelling; of
h. de Bank op grond van gegevens als omschreven in artikel 8, tweede lid, onder f, g, h of i, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te leggen dan wel om aan de aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen.
2. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de wet- of regelgeving inzake het toezicht op het kredietwezen in een andere Lid-Staat.
3. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is dat de groep waartoe de onderneming of instelling behoort een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur heeft die in zodanige mate ondoorzichtig is, dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de onderneming of instelling.
4. De Bank kan tevens weigeren de vergunning te verlenen indien de onderneming of instelling tot een groep behoort en het adequaat uitoefenen van toezicht op die onderneming onderscheidenlijk instelling, naar het oordeel van de Bank, wordt belemmerd door het recht van een Staat, die niet een Lid-Staat is, dat van toepassing is op een groepsmaatschappij of natuurlijke persoon die tot de groep behoort.
5. Indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling is kan de Bank weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is, dat de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is geen of onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent.
a. de onderneming of instelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 10 en 11 bepaalde;
b. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen, die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;
c. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van één of meer personen, die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, niet buiten twijfel staat.
d. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde dagelijks beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;
e. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van een of meer personen, die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.
f. de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 24, van oordeel is, dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in de onderneming of instelling van een invloed op de onderneming of instelling sprake is of zou kunnen zijn, die in strijd is met een gezond bankbeleid;
g. de verklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder f, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening of openingsbalans een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de onderneming of instelling; of
h. de Bank op grond van gegevens als omschreven in artikel 8, tweede lid, onder f, g, h of i, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te leggen dan wel om aan de aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen.
2. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de wet- of regelgeving inzake het toezicht op het kredietwezen in een andere Lid-Staat.
3. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is dat de groep waartoe de onderneming of instelling behoort een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur heeft die in zodanige mate ondoorzichtig is, dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de onderneming of instelling.
4. De Bank kan tevens weigeren de vergunning te verlenen indien de onderneming of instelling tot een groep behoort en het adequaat uitoefenen van toezicht op die onderneming onderscheidenlijk instelling, naar het oordeel van de Bank, wordt belemmerd door het recht van een Staat, die niet een Lid-Staat is, dat van toepassing is op een groepsmaatschappij of natuurlijke persoon die tot de groep behoort.
5. Indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling is kan de Bank weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is, dat de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is geen of onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent.