BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 84
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. De Bank pleegt overleg met de betrokken representatieve organisaties over de invoering van een regeling omtrent een garantie voor nader te bepalen schuldvorderingen van natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen tot een nader te bepalen maximum op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, zijn geregistreerd, tegen het risico, dat een zodanige onderneming of instelling haar verplichtingen met betrekking tot die schuldvorderingen niet nakomt.
2. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid leidt tot overeenstemming tussen de Bank en alle betrokken representatieve organisaties, worden bepaald, dat de kredietinstellingen bedoeld in het eerste lid alsmede de instellingen die gebruik maken van de vrijstelling bedoeld in artikel 12 van richtlijn 94/19/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels ( PbEGL 135) verplicht zijn aan de uitvoering van die regeling mede te werken.
3. Onze Minister kan besluiten dat een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder b, is geregistreerd, verplicht is aan de uitvoering van de regeling bedoeld in het eerste lid mee te werken, indien de Bank van oordeel is dat voor de schuldvorderingen op die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°geen garantieregeling van toepassing is, welke gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn 94/19/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels ( PbEGL 135).
4. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid niet binnen een door Onze minister te bepalen termijn leidt tot overeenstemming, dan wel indien de regeling, waaromtrent overeenstemming is bereikt, niet de instemming van Onze minister heeft, een regeling als bedoeld in het eerste lid worden ingevoerd, nadat de Bank, de Bankraad en de betrokken representatieve organisaties in de gelegenheid zijn gesteld hun gevoelen omtrent de inhoud van de in te voeren regeling kenbaar te maken.
5. Binnen twee maanden, nadat een regeling krachtens het vierde lid is ingevoerd, wordt door Ons een voorstel aan de Staten-Generaal gedaan om deze regeling bij de wet te bekrachtigen. Indien het voorstel door een van beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt deze regeling terstond ingetrokken. Van de intrekking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
6. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde, onderscheidenlijk vierde en vijfde lid is mede van toepassing op wijziging en intrekking van een garantieregeling, tot stand gekomen met inachtneming van die bepalingen.
2. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid leidt tot overeenstemming tussen de Bank en alle betrokken representatieve organisaties, worden bepaald, dat de kredietinstellingen bedoeld in het eerste lid alsmede de instellingen die gebruik maken van de vrijstelling bedoeld in artikel 12 van richtlijn 94/19/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels ( PbEGL 135) verplicht zijn aan de uitvoering van die regeling mede te werken.
3. Onze Minister kan besluiten dat een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder b, is geregistreerd, verplicht is aan de uitvoering van de regeling bedoeld in het eerste lid mee te werken, indien de Bank van oordeel is dat voor de schuldvorderingen op die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°geen garantieregeling van toepassing is, welke gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn 94/19/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels ( PbEGL 135).
4. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid niet binnen een door Onze minister te bepalen termijn leidt tot overeenstemming, dan wel indien de regeling, waaromtrent overeenstemming is bereikt, niet de instemming van Onze minister heeft, een regeling als bedoeld in het eerste lid worden ingevoerd, nadat de Bank, de Bankraad en de betrokken representatieve organisaties in de gelegenheid zijn gesteld hun gevoelen omtrent de inhoud van de in te voeren regeling kenbaar te maken.
5. Binnen twee maanden, nadat een regeling krachtens het vierde lid is ingevoerd, wordt door Ons een voorstel aan de Staten-Generaal gedaan om deze regeling bij de wet te bekrachtigen. Indien het voorstel door een van beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt deze regeling terstond ingetrokken. Van de intrekking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
6. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde, onderscheidenlijk vierde en vijfde lid is mede van toepassing op wijziging en intrekking van een garantieregeling, tot stand gekomen met inachtneming van die bepalingen.