BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 61
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Ingeval, in overeenstemming met de Richtlijn, ten behoeve van het toezicht op kredietinstellingen in een andere Lid-Staat door dan wel omtrent een in Nederland gevestigde onderneming of instelling inlichtingen aan de toezichthoudende autoriteiten van die Lid-Staat zijn verstrekt, zal de Bank na daartoe door de toezichthoudende autoriteit van de desbetreffende Lid-Staat te zijn verzocht:
a. zich ter plaatse van de juistheid van de aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat toestaan zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen te overtuigen of te doen overtuigen.
2. Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 31, eerste lid, of artikel 50, eerste lid, zal, ten behoeve van het toezicht in de andere Lid-Staat:
a. de Bank zich, op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, ter plaatse van de juistheid van de aan die toezichthoudende autoriteit verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, wanneer deze daaromtrent de Bank in kennis heeft gesteld, zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.
3. Degene bij wie de juistheid van inlichtingen wordt geverifieerd als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verleent aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde toezichthoudende autoriteit en diens functionarissen alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van die verificatie, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. De Bank kan aan die verificatie deelnemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, doen deelnemen.
a. zich ter plaatse van de juistheid van de aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat toestaan zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen te overtuigen of te doen overtuigen.
2. Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 31, eerste lid, of artikel 50, eerste lid, zal, ten behoeve van het toezicht in de andere Lid-Staat:
a. de Bank zich, op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, ter plaatse van de juistheid van de aan die toezichthoudende autoriteit verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, wanneer deze daaromtrent de Bank in kennis heeft gesteld, zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.
3. Degene bij wie de juistheid van inlichtingen wordt geverifieerd als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verleent aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde toezichthoudende autoriteit en diens functionarissen alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van die verificatie, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. De Bank kan aan die verificatie deelnemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, doen deelnemen.