BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 60
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Ingeval een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 54, eerste lid, in een andere Lid-Staat is gevestigd, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:
a. de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel
b. zich, na daartoe van de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat toestemming te hebben verkregen, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.
2. Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of artikel 48, eerste lid, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:
a. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel
b. zich, na daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.
a. de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel
b. zich, na daartoe van de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat toestemming te hebben verkregen, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.
2. Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of artikel 48, eerste lid, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:
a. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel
b. zich, na daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.