BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 50
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Een financiële instelling die in een andere Lid-Staat, niet-zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, is gevestigd en die in die Lid-Staat een met de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, vergelijkbare verklaring heeft verkregen, is het, onverminderd de toepasselijkheid van andere op haar werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften, slechts toegestaan om, voor zover het werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn betreft, uitsluitend de werkzaamheden vermeld in het programma van werkzaamheden als bedoeld onder a, (1), door middel van een bijkantoor in Nederland te verrichten, indien
a. de Bank een kennisgeving heeft ontvangen van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat: (1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;
(2). het adres van het bijkantoor;
(3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen;
(4). de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling; en
(5). de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is; en
(1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;
(2). het adres van het bijkantoor;
(3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen;
(4). de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling; en
(5). de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is; en
b. de Bank de ontvangst van de kennisgeving bedoeld onder a aan de financiële instelling heeft medegedeeld dan wel er acht weken zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop de Bank de kennisgeving als bedoeld onder a heeft ontvangen.
2. De in een andere Lid-Staat gevestigde financiële instelling als bedoeld in het eerste lid dient de Bank en de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat ten minste vier weken van te voren in kennis te stellen van elke wijziging van de gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, sub (1), (2) of (3) of, in voorkomend geval, van het voornemen om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken.
a. de Bank een kennisgeving heeft ontvangen van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat: (1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;
(2). het adres van het bijkantoor;
(3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen;
(4). de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling; en
(5). de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is; en
(1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;
(2). het adres van het bijkantoor;
(3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen;
(4). de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling; en
(5). de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is; en
b. de Bank de ontvangst van de kennisgeving bedoeld onder a aan de financiële instelling heeft medegedeeld dan wel er acht weken zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop de Bank de kennisgeving als bedoeld onder a heeft ontvangen.
2. De in een andere Lid-Staat gevestigde financiële instelling als bedoeld in het eerste lid dient de Bank en de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat ten minste vier weken van te voren in kennis te stellen van elke wijziging van de gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, sub (1), (2) of (3) of, in voorkomend geval, van het voornemen om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken.