BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 16
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is één of meerdere van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat, dient, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis te geven. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de mededeling als bedoeld in het derde lid niet is gedaan.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
d. het adres van het bijkantoor; en
e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling alsmede omtrent de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.
4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.
5. Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder btot en met d, dan wel met betrekking tot de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22en 22a, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
7. Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in het derde lid in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.
8. Zodra de mededeling als bedoeld in het derde lid is ingetrokken, is het de kredietinstelling verboden nog langer werkzaamheden te verrichten door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
d. het adres van het bijkantoor; en
e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling alsmede omtrent de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.
4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.
5. Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder btot en met d, dan wel met betrekking tot de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22en 22a, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
7. Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in het derde lid in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.
8. Zodra de mededeling als bedoeld in het derde lid is ingetrokken, is het de kredietinstelling verboden nog langer werkzaamheden te verrichten door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid.