BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 60
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Onze Minister van Justitie aanvaardt, indien naar zijn oordeel aan diens activiteiten behoefte bestaat, een rechtspersoon als instelling die:
a. als voogdij-instelling op grond van artikel 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek voogdij alsmede de maatregel van voorlopige voogdij kan uitoefenen;
b. als gezinsvoogdij-instelling kan worden aangewezen op grond van artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, aan patroons leiding en bijstand kan verlenen, en hulp en steun kan verlenen aan voorwaardelijk veroordeelde, in vrijheid gestelde of ontslagen minderjarigen, alsmede nazorg biedt.
2. Een rechtspersoon komt slechts voor aanvaarding in aanmerking, indien hij:
a. volledige rechtsbevoegdheid bezit, zijn zetel heeft in Nederland en direct noch indirect beoogt winst te maken;
b. zich blijkens zijn statuten ten doel stelt de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde taken te vervullen;
c. aannemelijk heeft gemaakt dat hij: 1°. een zodanige werkwijze zal toepassen dat redelijkerwijze mag worden verwacht dat de beoogde doelen kunnen worden bereikt;
2°. zal voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde.
1°. een zodanige werkwijze zal toepassen dat redelijkerwijze mag worden verwacht dat de beoogde doelen kunnen worden bereikt;
2°. zal voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde.
3. Een op grond van het eerste lid aanvaarde rechtspersoon neemt op gelijke voet als een uitvoerder deel aan het samenwerkingsverband. Hoofdstuk VIIIis ten aanzien van deze rechtspersoon van overeenkomstige toepassing.
4. Een rechtspersoon, die op grond van het eerste lid is aanvaard, voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 35. In die maatregel worden nadere regels gesteld omtrent de taken van voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen.
a. als voogdij-instelling op grond van artikel 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek voogdij alsmede de maatregel van voorlopige voogdij kan uitoefenen;
b. als gezinsvoogdij-instelling kan worden aangewezen op grond van artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, aan patroons leiding en bijstand kan verlenen, en hulp en steun kan verlenen aan voorwaardelijk veroordeelde, in vrijheid gestelde of ontslagen minderjarigen, alsmede nazorg biedt.
2. Een rechtspersoon komt slechts voor aanvaarding in aanmerking, indien hij:
a. volledige rechtsbevoegdheid bezit, zijn zetel heeft in Nederland en direct noch indirect beoogt winst te maken;
b. zich blijkens zijn statuten ten doel stelt de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde taken te vervullen;
c. aannemelijk heeft gemaakt dat hij: 1°. een zodanige werkwijze zal toepassen dat redelijkerwijze mag worden verwacht dat de beoogde doelen kunnen worden bereikt;
2°. zal voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde.
1°. een zodanige werkwijze zal toepassen dat redelijkerwijze mag worden verwacht dat de beoogde doelen kunnen worden bereikt;
2°. zal voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde.
3. Een op grond van het eerste lid aanvaarde rechtspersoon neemt op gelijke voet als een uitvoerder deel aan het samenwerkingsverband. Hoofdstuk VIIIis ten aanzien van deze rechtspersoon van overeenkomstige toepassing.
4. Een rechtspersoon, die op grond van het eerste lid is aanvaard, voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 35. In die maatregel worden nadere regels gesteld omtrent de taken van voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen.