BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 19
Wet op de jeugdhulpverlening
Het jeugdhulpadviesteam heeft in zijn regio, onverminderd het overigens bij deze wet bepaalde, in ieder geval de volgende taken:
a. het op verzoek van een uitvoerder stellen of doen stellen van een diagnose en het geven van een oordeel over de meest aangewezen behandeling in gevallen waarin sprake is van een zo ingewikkelde problematiek dat multidisciplinaire oordeelsvorming wenselijk is en de tot dusver geboden hulp onvoldoende resultaat heeft gehad;
b. het op verzoek van een plaatsende instantie uitbrengen van advies over de vraag welke hulpverlening voor een jeugdige de meest aangewezene is te achten;
c. het op verzoek van de rechter, bij de toepassing van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van titel VIIIA van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht, uitbrengen van advies over de vraag welke hulpverlening voor een jeugdige de meest aangewezene is te achten;
d. het registreren van de gegevens, bedoeld in artikel 32.
a. het op verzoek van een uitvoerder stellen of doen stellen van een diagnose en het geven van een oordeel over de meest aangewezen behandeling in gevallen waarin sprake is van een zo ingewikkelde problematiek dat multidisciplinaire oordeelsvorming wenselijk is en de tot dusver geboden hulp onvoldoende resultaat heeft gehad;
b. het op verzoek van een plaatsende instantie uitbrengen van advies over de vraag welke hulpverlening voor een jeugdige de meest aangewezene is te achten;
c. het op verzoek van de rechter, bij de toepassing van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van titel VIIIA van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht, uitbrengen van advies over de vraag welke hulpverlening voor een jeugdige de meest aangewezene is te achten;
d. het registreren van de gegevens, bedoeld in artikel 32.