BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 54
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Er is een Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming die tot taak heeft:
a. het verrichten van onderzoeken naar de kwaliteit in algemene zin van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming alsmede, waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan;
b. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet omtrent de kwaliteit van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming.
2. Met de taken, bedoeld in het eerste lid, onder <em>a</em>en <em>b</em>, zijn belast de ambtenaren van de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.
3. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:18</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:19 van de Algemene wet bestuursrecht</a>. De <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:12</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:13</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:15" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:15</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:16</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:17</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:20 van de Algemene wet bestuursrecht</a>zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaren, belast met de taak, bedoeld in het eerste lid, onder <em>a</em>.
4. De ambtenaren van de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming nemen bij de vervulling van hun taak de aanwijzingen van Onze Ministers, en indien het betreft instellingen of inrichtingen de aanwijzingen van Onze Minister van Justitie, in acht.
5. De inspectie verricht onderzoeken uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister van Justitie indien het instellingen of inrichtingen betreft, en van Onze Ministers indien het andere voorzieningen, plaatsende instanties, samenwerkingsverbanden of experimenten betreft. De inspectie kan onderzoeken verrichten op verzoek van een provinciaal bestuur, indien het een regionale voorziening, samenwerkingsverband of erkende plaatsende instantie betreft.
6. De inspectie brengt van haar bevindingen verslag uit aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en doet daarbij voorstellen tot verbetering van de kwaliteit van de werkzaamheden. De inspectie stelt het overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor het beleid ten aanzien van degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd op de hoogte van haar bevindingen, indien zulks voor dat overheidsorgaan van belang is.
7. De inspectie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. In het verslag doet zij voorstellen die zij in het belang van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming nodig acht. Het verslag wordt toegezonden aan Onze ministers, de provinciale besturen en de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
8. Onze ministers kunnen regels stellen omtrent de organisatie van de inspectie.
a. het verrichten van onderzoeken naar de kwaliteit in algemene zin van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming alsmede, waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan;
b. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet omtrent de kwaliteit van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming.
2. Met de taken, bedoeld in het eerste lid, onder <em>a</em>en <em>b</em>, zijn belast de ambtenaren van de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.
3. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:18</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:19 van de Algemene wet bestuursrecht</a>. De <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:12</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:13</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:15" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:15</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:16</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:17</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:20 van de Algemene wet bestuursrecht</a>zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaren, belast met de taak, bedoeld in het eerste lid, onder <em>a</em>.
4. De ambtenaren van de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming nemen bij de vervulling van hun taak de aanwijzingen van Onze Ministers, en indien het betreft instellingen of inrichtingen de aanwijzingen van Onze Minister van Justitie, in acht.
5. De inspectie verricht onderzoeken uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister van Justitie indien het instellingen of inrichtingen betreft, en van Onze Ministers indien het andere voorzieningen, plaatsende instanties, samenwerkingsverbanden of experimenten betreft. De inspectie kan onderzoeken verrichten op verzoek van een provinciaal bestuur, indien het een regionale voorziening, samenwerkingsverband of erkende plaatsende instantie betreft.
6. De inspectie brengt van haar bevindingen verslag uit aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en doet daarbij voorstellen tot verbetering van de kwaliteit van de werkzaamheden. De inspectie stelt het overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor het beleid ten aanzien van degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd op de hoogte van haar bevindingen, indien zulks voor dat overheidsorgaan van belang is.
7. De inspectie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. In het verslag doet zij voorstellen die zij in het belang van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming nodig acht. Het verslag wordt toegezonden aan Onze ministers, de provinciale besturen en de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
8. Onze ministers kunnen regels stellen omtrent de organisatie van de inspectie.