BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 25
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c, vangt slechts aan en wordt slechts hervat als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, indien een bevoegde plaatsende instantie overeenkomstig deze wet niet langer dan twee maanden tevoren heeft vastgesteld dat die hulpverlening voor de betrokken jeugdige aangewezen is te achten. De hulpverlening geschiedt slechts gedurende de door de plaatsende instantie aangegeven termijn.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voortzetting van de hulpverlening aan de jeugdige na het verstrijken van de door de plaatsende instantie aangegeven termijn.
3. Secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c, wordt slechts voortgezet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, indien de plaatsende instantie die laatstelijk als zodanig is opgetreden of degene die laatstelijk voor de plaatsing verantwoordelijk is geweest, de in het eerste lid bedoelde vaststelling heeft verricht.
4. Hulpverlening door een residentiële of een semi-residentiële voorziening, niet zijnde een voorziening voor crisisopvang als bedoeld onder II, onderdeel 1, van de bijlage behorende bij deze wet, aan een jeugdige als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 4°, vangt, onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, slechts aan nadat een bevoegde plaatsende instantie een daartoe strekkend advies van het desbetreffende jeugdhulpadviesteam heeft ontvangen en toestemming van Onze Ministers, indien het hulpverlening in een landelijke voorziening betreft, of van het desbetreffende provinciaal bestuur, indien het hulpverlening in een regionale voorziening betreft, heeft verkregen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voortzetting van de hulpverlening aan de jeugdige na het verstrijken van de door de plaatsende instantie aangegeven termijn.
3. Secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c, wordt slechts voortgezet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, indien de plaatsende instantie die laatstelijk als zodanig is opgetreden of degene die laatstelijk voor de plaatsing verantwoordelijk is geweest, de in het eerste lid bedoelde vaststelling heeft verricht.
4. Hulpverlening door een residentiële of een semi-residentiële voorziening, niet zijnde een voorziening voor crisisopvang als bedoeld onder II, onderdeel 1, van de bijlage behorende bij deze wet, aan een jeugdige als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 4°, vangt, onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, slechts aan nadat een bevoegde plaatsende instantie een daartoe strekkend advies van het desbetreffende jeugdhulpadviesteam heeft ontvangen en toestemming van Onze Ministers, indien het hulpverlening in een landelijke voorziening betreft, of van het desbetreffende provinciaal bestuur, indien het hulpverlening in een regionale voorziening betreft, heeft verkregen.