BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 31
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Beëindiging van secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, bof c, vindt plaats, indien een bevoegde plaatsende instantie heeft vastgesteld dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige niet aangewezen is. De vaststelling geschiedt op basis van een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten ervan. De plaatsende instantie stelt tevens vast of andere dan in de eerste zin bedoelde hulpverlening aangewezen is te achten en legt dit schriftelijk vast.
2. Een uitvoerder van een voorziening van secundaire semi-residentiële of residentiële hulpverlening of van een voorziening voor pleegzorg zendt vóór het verstrijken van de door de plaatsende instantie vastgestelde termijn, alsmede indien hij voornemens is de hulpverlening binnen die termijn te beëindigen, aan de plaatsende instantie door wiens tussenkomst de jeugdige is opgenomen, tijdig een beschrijving als bedoeld in de tweede zin van het eerste lid.
3. Een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in het tweede lid beëindigt de hulpverlening niet dan nadat hij tot overeenstemming is gekomen met de voogdij-instelling voor zover het betreft de uitoefening van de voorlopige voogdij of met de gezinsvoogdij-instelling.
2. Een uitvoerder van een voorziening van secundaire semi-residentiële of residentiële hulpverlening of van een voorziening voor pleegzorg zendt vóór het verstrijken van de door de plaatsende instantie vastgestelde termijn, alsmede indien hij voornemens is de hulpverlening binnen die termijn te beëindigen, aan de plaatsende instantie door wiens tussenkomst de jeugdige is opgenomen, tijdig een beschrijving als bedoeld in de tweede zin van het eerste lid.
3. Een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in het tweede lid beëindigt de hulpverlening niet dan nadat hij tot overeenstemming is gekomen met de voogdij-instelling voor zover het betreft de uitoefening van de voorlopige voogdij of met de gezinsvoogdij-instelling.