BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 33
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Een plaatsende instantie stelt binnen vier maanden na afloop van een kalenderjaar een verslag op van zijn plaatsingsbeleid in het voorafgaande jaar.
2. Het verslag bevat een overzicht van de rapporten, bedoeld in artikel 29, derde lid, ontdaan van tot personen herleidbare gegevens. Daarbij wordt aangegeven in welke gevallen de aangewezen geachte hulpverlening is gerealiseerd en indien zulks niet het geval is, de redenen daarvan.
3. Het verslag wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan het jeugdhulpadviesteam van de regio van het werkgebied van de plaatsende instantie.
4. Indien het jeugdhulpadviesteam op grond van een verslag als bedoeld in het eerste lid van oordeel is dat het plaatsingsbeleid van een plaatsende instantie niet in overeenstemming is met de artikelen 29, 30en 31dan wel dat de plaatsende instantie anderszins handelt in strijd met deze wet, doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan het desbetreffende provinciale bestuur.
2. Het verslag bevat een overzicht van de rapporten, bedoeld in artikel 29, derde lid, ontdaan van tot personen herleidbare gegevens. Daarbij wordt aangegeven in welke gevallen de aangewezen geachte hulpverlening is gerealiseerd en indien zulks niet het geval is, de redenen daarvan.
3. Het verslag wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan het jeugdhulpadviesteam van de regio van het werkgebied van de plaatsende instantie.
4. Indien het jeugdhulpadviesteam op grond van een verslag als bedoeld in het eerste lid van oordeel is dat het plaatsingsbeleid van een plaatsende instantie niet in overeenstemming is met de artikelen 29, 30en 31dan wel dat de plaatsende instantie anderszins handelt in strijd met deze wet, doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan het desbetreffende provinciale bestuur.