BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 48
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Uitvoerders en instellingen treffen een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens jeugdigen alsmede jegens hun ouders, voogden, stiefouders, pleegouders of degenen die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefenen. Zij brengen de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van in ieder geval de in artikel 46, eerste lid, onder a, bedoelde personen.
2. De in het eerste lid bedoelde regeling:
a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit tenminste drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij de uitvoerder of de instelling;
b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft;
c. waarborgt dat de klachtencommissie binnen zes weken na ontvangst van de klacht de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de uitvoerder of de instelling, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;
d. waarborgt dat bij afwijking van de onder c bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de uitvoerder of de instelling, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen;
e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is geklaagd;
f. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan.
3. De uitvoerder en de instelling zien erop toe dat de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze commissie op te stellen reglement.
4. Door of namens een klager kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>, een klacht tegen een uitvoerder of instelling worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen jegens de klager.
5. De uitvoerder of instelling deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>, binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid, onder <em>c</em>, bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel van de commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet de uitvoerder of de instelling daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen de uitvoerder of instelling zijn standpunt aan hen kenbaar zal maken, met dien verstande dat dit uitstel ten hoogste vier weken is.
6. In afwijking van het vierde lid, kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>, eveneens een klacht tegen een uitvoerder, een instelling worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen, jegens een persoon, als bedoeld in artikel 46, onder a, die inmiddels is overleden.
7. De uitvoerder en de instelling dragen er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten worden aangegeven. De uitvoerder en de instelling zenden het verslag voor 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.
2. De in het eerste lid bedoelde regeling:
a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit tenminste drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij de uitvoerder of de instelling;
b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft;
c. waarborgt dat de klachtencommissie binnen zes weken na ontvangst van de klacht de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de uitvoerder of de instelling, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;
d. waarborgt dat bij afwijking van de onder c bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de uitvoerder of de instelling, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen;
e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is geklaagd;
f. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan.
3. De uitvoerder en de instelling zien erop toe dat de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze commissie op te stellen reglement.
4. Door of namens een klager kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>, een klacht tegen een uitvoerder of instelling worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen jegens de klager.
5. De uitvoerder of instelling deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>, binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid, onder <em>c</em>, bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel van de commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet de uitvoerder of de instelling daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen de uitvoerder of instelling zijn standpunt aan hen kenbaar zal maken, met dien verstande dat dit uitstel ten hoogste vier weken is.
6. In afwijking van het vierde lid, kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>, eveneens een klacht tegen een uitvoerder, een instelling worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen, jegens een persoon, als bedoeld in artikel 46, onder a, die inmiddels is overleden.
7. De uitvoerder en de instelling dragen er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten worden aangegeven. De uitvoerder en de instelling zenden het verslag voor 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.