BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 27
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Het provinciale bestuur erkent een uitvoerder van ambulante hulpverlening of een Riagg als plaatsende instantie, voor een daarbij aan te wijzen werkgebied, indien:
a. naar het oordeel van het provinciale bestuur aan diens activiteiten als plaatsende instantie behoefte bestaat;
b. een zodanige werkwijze wordt toegepast dat is gewaarborgd dat de taken, bedoeld in artikel 29, onafhankelijk van de overige werkzaamheden worden uitgevoerd en dat één deskundige met de verantwoordelijkheid voor deze taken is belast;
c. de taken, bedoeld in artikel 29, worden uitgevoerd door personen die voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van instellingen of instanties, niet zijnde uitvoerders, worden aangewezen, die overeenkomstig het eerste lid voor erkenning in aanmerking komen.
3. Als plaatsende instantie zijn erkend:
a. voogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen, waarover zij de voogdij dan wel de voorlopige voogdij uitoefenen;
b. de raad voor de kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van het ouderlijk gezag of de voogdij.
c. gezinsvoogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen die onder hun toezicht staan.
4. Een erkende plaatsende instantie is bevoegd in de gevallen waarin deze wet zulks vereist, ten aanzien van een jeugdige die duurzaam verblijft in zijn werkgebied vast te stellen welke hulpverlening voor die jeugdige aangewezen is te achten.
5. Van erkenningen als bedoeld in dit artikel wordt mededeling gedaan in de <em>Staatscourant</em>.
a. naar het oordeel van het provinciale bestuur aan diens activiteiten als plaatsende instantie behoefte bestaat;
b. een zodanige werkwijze wordt toegepast dat is gewaarborgd dat de taken, bedoeld in artikel 29, onafhankelijk van de overige werkzaamheden worden uitgevoerd en dat één deskundige met de verantwoordelijkheid voor deze taken is belast;
c. de taken, bedoeld in artikel 29, worden uitgevoerd door personen die voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van instellingen of instanties, niet zijnde uitvoerders, worden aangewezen, die overeenkomstig het eerste lid voor erkenning in aanmerking komen.
3. Als plaatsende instantie zijn erkend:
a. voogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen, waarover zij de voogdij dan wel de voorlopige voogdij uitoefenen;
b. de raad voor de kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van het ouderlijk gezag of de voogdij.
c. gezinsvoogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen die onder hun toezicht staan.
4. Een erkende plaatsende instantie is bevoegd in de gevallen waarin deze wet zulks vereist, ten aanzien van een jeugdige die duurzaam verblijft in zijn werkgebied vast te stellen welke hulpverlening voor die jeugdige aangewezen is te achten.
5. Van erkenningen als bedoeld in dit artikel wordt mededeling gedaan in de <em>Staatscourant</em>.