BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 56
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Tot het aan Onze ministers verstrekken van gegevens die nodig zijn voor een goede uitvoering van deze wet, zijn, voor zover zij betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet, verplicht:
a. uitvoerders, met uitzondering van uitvoerders die een inrichting in stand houden, en rechtspersonen die een steunfunctie verzorgen;
b. samenwerkingsverbanden;
c. plaatsende instanties.
2. Eenzelfde verplichting geldt ten aanzien van Onze Minister van Justitie voor instellingen en uitvoerders van inrichtingen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald:
a. de doeleinden waarvoor gegevens worden verstrekt;
b. de aard van de gegevens die worden verstrekt;
c. de instanties die voor een goede uitvoering van de wet de beschikking over verstrekte gegevens krijgen;
d. de tijdvakken waarop de gegevens betrekking hebben;
e. de termijnen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.
4. De gegevens worden alleen in een zodanige vorm opgevraagd en verstrekt dat zij niet tot individuele jeugdigen herleidbaar zijn.
5. Onze ministers stellen regelen vast omtrent het beheer van de verstrekte gegevens.
6. Onze ministers kunnen regelen vaststellen over de wijze waarop en de vorm waarin gegevens worden verstrekt, alsmede over de wijze waarop de verstrekte gegevens worden verwerkt. Tevens kunnen Onze ministers organen aanwijzen waar de verwerking plaatsvindt.
7. Met betrekking tot instellingen en inrichtingen worden de in het vijfde en zesde lid bedoelde regelen en de in het zesde lid bedoelde aanwijzing vastgesteld door Onze Minister van Justitie.
8. De in het vijfde en zesde lid bedoelde regelen worden vastgesteld in overeenstemming met Onze minister wie het mede aangaat.
a. uitvoerders, met uitzondering van uitvoerders die een inrichting in stand houden, en rechtspersonen die een steunfunctie verzorgen;
b. samenwerkingsverbanden;
c. plaatsende instanties.
2. Eenzelfde verplichting geldt ten aanzien van Onze Minister van Justitie voor instellingen en uitvoerders van inrichtingen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald:
a. de doeleinden waarvoor gegevens worden verstrekt;
b. de aard van de gegevens die worden verstrekt;
c. de instanties die voor een goede uitvoering van de wet de beschikking over verstrekte gegevens krijgen;
d. de tijdvakken waarop de gegevens betrekking hebben;
e. de termijnen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.
4. De gegevens worden alleen in een zodanige vorm opgevraagd en verstrekt dat zij niet tot individuele jeugdigen herleidbaar zijn.
5. Onze ministers stellen regelen vast omtrent het beheer van de verstrekte gegevens.
6. Onze ministers kunnen regelen vaststellen over de wijze waarop en de vorm waarin gegevens worden verstrekt, alsmede over de wijze waarop de verstrekte gegevens worden verwerkt. Tevens kunnen Onze ministers organen aanwijzen waar de verwerking plaatsvindt.
7. Met betrekking tot instellingen en inrichtingen worden de in het vijfde en zesde lid bedoelde regelen en de in het zesde lid bedoelde aanwijzing vastgesteld door Onze Minister van Justitie.
8. De in het vijfde en zesde lid bedoelde regelen worden vastgesteld in overeenstemming met Onze minister wie het mede aangaat.