BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 29
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Een plaatsende instantie:
a. draagt er, met het oog op de vaststelling, bedoeld in artikel 25, eerste lid, zorg voor dat een onderzoek wordt verricht naar de problemen en stoornissen van de betrokken jeugdige en stelt, met inachtneming van de eisen, genoemd in artikel 23, vast welke vorm of vormen van hulpverlening in verband daarmee voor de jeugdige de meest aangewezene is of zijn te achten;
b. draagt, met het oog op de toepassing van artikel 25, tweede lid, zorg voor een evaluatie van de hulpverlening en stelt vast of, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige aangewezen is te achten;
c. stelt telkens de termijn vast gedurende welke de hulpverlening nodig is te achten, welke termijn ten hoogste zes maanden bedraagt.
2. De jeugdige, degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, alsmede de daarvoor in aanmerking komende uitvoerder worden bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, betrokken.
3. De in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden telkens in een rapport schriftelijk verantwoord.
a. draagt er, met het oog op de vaststelling, bedoeld in artikel 25, eerste lid, zorg voor dat een onderzoek wordt verricht naar de problemen en stoornissen van de betrokken jeugdige en stelt, met inachtneming van de eisen, genoemd in artikel 23, vast welke vorm of vormen van hulpverlening in verband daarmee voor de jeugdige de meest aangewezene is of zijn te achten;
b. draagt, met het oog op de toepassing van artikel 25, tweede lid, zorg voor een evaluatie van de hulpverlening en stelt vast of, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige aangewezen is te achten;
c. stelt telkens de termijn vast gedurende welke de hulpverlening nodig is te achten, welke termijn ten hoogste zes maanden bedraagt.
2. De jeugdige, degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, alsmede de daarvoor in aanmerking komende uitvoerder worden bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, betrokken.
3. De in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden telkens in een rapport schriftelijk verantwoord.