BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 24
Wet op de jeugdhulpverlening
1. Een uitvoerder van een voorziening van pleegzorg of van een voorziening van semi-residentiële of residentiële hulpverlening verleent op verzoek van degene die voor plaatsing verantwoordelijk is, aan een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen die tot een zodanige plaatsing strekt of haar noodzakelijk maakt de desbetreffende hulp, tenzij hij voor de jeugdige geen plaats heeft.
2. Indien een maatregel van justitiële kinderbescherming die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening of deze noodzakelijk maakt na toepassing van het eerste lid niet kan worden gerealiseerd, meldt degene die verantwoordelijk is voor de plaatsing dit aan Onze Minister van Justitie.
3. Een uitvoerder van een voorziening van residentiële hulpverlening verleent aan een jeugdige ten aanzien van wie geen maatregel van justitiële kinderbescherming als bedoeld in het eerste lid is getroffen slechts hulp, nadat hij zich er van heeft vergewist, dat geen jeugdige ten aanzien van wie een melding als bedoeld in het tweede lid is gedaan, in aanmerking moet komen voor die hulpverlening.
4. Voor zover een maatregel van justitiële kinderbescherming die strekt tot plaatsing in een pleeggezin of deze noodzakelijk maakt na toepassing van het eerste lid niet kan worden gerealiseerd, wordt de jeugdige, ongeacht het aan de voorziening van pleegzorg beschikbaar gestelde maximale subsidie of de maximale capaciteit, in een pleeggezin geplaatst.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van jeugdigen voor wie voortzetting van hulp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, noodzakelijk is, met dien verstande dat degene die voor de plaatsing verantwoordelijk is een melding als bedoeld in het tweede lid, aan Onze Ministers doet.
2. Indien een maatregel van justitiële kinderbescherming die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening of deze noodzakelijk maakt na toepassing van het eerste lid niet kan worden gerealiseerd, meldt degene die verantwoordelijk is voor de plaatsing dit aan Onze Minister van Justitie.
3. Een uitvoerder van een voorziening van residentiële hulpverlening verleent aan een jeugdige ten aanzien van wie geen maatregel van justitiële kinderbescherming als bedoeld in het eerste lid is getroffen slechts hulp, nadat hij zich er van heeft vergewist, dat geen jeugdige ten aanzien van wie een melding als bedoeld in het tweede lid is gedaan, in aanmerking moet komen voor die hulpverlening.
4. Voor zover een maatregel van justitiële kinderbescherming die strekt tot plaatsing in een pleeggezin of deze noodzakelijk maakt na toepassing van het eerste lid niet kan worden gerealiseerd, wordt de jeugdige, ongeacht het aan de voorziening van pleegzorg beschikbaar gestelde maximale subsidie of de maximale capaciteit, in een pleeggezin geplaatst.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van jeugdigen voor wie voortzetting van hulp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, noodzakelijk is, met dien verstande dat degene die voor de plaatsing verantwoordelijk is een melding als bedoeld in het tweede lid, aan Onze Ministers doet.