BWBR0004608
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 5
Wet op de jeugdhulpverlening
1. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 27, 35, 37, 41a, 41b, 41cen 56geschiedt door Onze Ministers.
2. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 60en 61geschiedt door Onze Minister van Justitie. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 66, 67, 68en 69geschiedt door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet, behoudens die, bedoeld in de artikelen 61, 65en 84, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de <em>Staatscourant</em>is geplaatst en aan ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de plaatsing is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Ministers te brengen. Gelijktijdig met de plaatsing wordt het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.
2. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 60en 61geschiedt door Onze Minister van Justitie. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 66, 67, 68en 69geschiedt door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet, behoudens die, bedoeld in de artikelen 61, 65en 84, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de <em>Staatscourant</em>is geplaatst en aan ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de plaatsing is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Ministers te brengen. Gelijktijdig met de plaatsing wordt het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.