BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 8
Regeling monitoring handel in emissierechten
1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de emissiefactor door middel van een rekenmethode die op grond van artikel 6, eerste lid, van toepassing is op die CO 2-installatie overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen III, hoofdstuk III.2, V, hoofdstuk V.1 en V.3, en VI.
2. In afwijking van het eerste lid, houdt degene die de inrichting drijft, in het geval van verbranding van aardgas in de inrichting, voor de bepaling van de CO 2-emissiefactor van CO 2-installaties van de klassen B en C, voor de tweede planperiode welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, de door de Minister aan het begin van elk kalenderjaar in de Staatscourant te publiceren waarde aan, indien degene die de inrichting drijft, zulks aan de Minister heeft gemeld.
3. In afwijking van het eerste lid mag degene die de inrichting drijft, in het geval van verbranding van aardgas in de inrichting, voor de bepaling van de emissiefactor van CO 2-installaties van klasse A voor de periode welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, de door de Minister aan het begin van elk kalenderjaar in de Staatscourant te publiceren waarde aanhouden.
4. In afwijking van het eerste lid is in geval van verbranding van aardgas als bedoeld in het tweede lid paragraaf 1.2.2.1, onder de punten a2 en b, van de bij deze regeling behorende bijlage IIniet van toepassing.
5. In geval van verbranding van aardgas als bedoeld in het tweede lid wordt, indien de massabalansmethode, bedoeld in de paragrafen 1.2.2.2, 3.2.2.1, 4.2.2.1 en 5.2.2.1, van de bij deze regeling behorende bijlage IIwordt toegepast, de waarde van aardgas gehanteerd die is vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage VI.
6. De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk op 15 oktober 2007 of, indien het gaat om een inrichting waarvoor het bepaalde in artikel 16.5, eerste lid, van de wetis gaan gelden na 15 oktober 2007, bij de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, van de wet.
7. Degene die een inrichting drijft, registreert alle informatie betreffende de toegepaste emissiefactoren, met inbegrip van de informatiebronnen over en de analyseresultaten van brandstoffen, uitgangsmaterialen en eindmaterialen, overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage II.
2. In afwijking van het eerste lid, houdt degene die de inrichting drijft, in het geval van verbranding van aardgas in de inrichting, voor de bepaling van de CO 2-emissiefactor van CO 2-installaties van de klassen B en C, voor de tweede planperiode welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, de door de Minister aan het begin van elk kalenderjaar in de Staatscourant te publiceren waarde aan, indien degene die de inrichting drijft, zulks aan de Minister heeft gemeld.
3. In afwijking van het eerste lid mag degene die de inrichting drijft, in het geval van verbranding van aardgas in de inrichting, voor de bepaling van de emissiefactor van CO 2-installaties van klasse A voor de periode welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, de door de Minister aan het begin van elk kalenderjaar in de Staatscourant te publiceren waarde aanhouden.
4. In afwijking van het eerste lid is in geval van verbranding van aardgas als bedoeld in het tweede lid paragraaf 1.2.2.1, onder de punten a2 en b, van de bij deze regeling behorende bijlage IIniet van toepassing.
5. In geval van verbranding van aardgas als bedoeld in het tweede lid wordt, indien de massabalansmethode, bedoeld in de paragrafen 1.2.2.2, 3.2.2.1, 4.2.2.1 en 5.2.2.1, van de bij deze regeling behorende bijlage IIwordt toegepast, de waarde van aardgas gehanteerd die is vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage VI.
6. De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk op 15 oktober 2007 of, indien het gaat om een inrichting waarvoor het bepaalde in artikel 16.5, eerste lid, van de wetis gaan gelden na 15 oktober 2007, bij de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, van de wet.
7. Degene die een inrichting drijft, registreert alle informatie betreffende de toegepaste emissiefactoren, met inbegrip van de informatiebronnen over en de analyseresultaten van brandstoffen, uitgangsmaterialen en eindmaterialen, overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage II.