BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 46
Regeling monitoring handel in emissierechten
1. Het brandstofverbruik wordt bepaald op basis van:
a. verbruiksmetingen en de stookwaarde, of
b. rendements- en productiegegevens, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat het technisch niet haalbaar is om de brandstofhoeveelheid te bepalen volgens de methode, bedoeld onder a.
2. De stookwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt bepaald met een frequentie die is afgestemd op de variaties die kunnen optreden in de brandstofsamenstelling.
3. De bepaling van het brandstofverbruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI. Indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat het onmogelijk is of tot onredelijke hoge kosten leidt om aan het eerste lid te voldoen, mag hiervan worden afgeweken, in welk geval tevens ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat het brandstofverbruik op andere wijze voldoende nauwkeurig wordt bepaald.
4. Indien het brandstofverbruik niet overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIkan worden bepaald als bedoeld in het derde lid, wordt bij de bepaling van het brandstofverbruik het brandstofverbruik niet overschat.
5. Indien zich in de inrichting fakkels bevinden en het brandstofverbruik van de fakkels is inbegrepen in de meting, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt dat brandstofverbruik, vastgesteld op basis van de verbruiksmeting en de stookwaarde of op basis van het thermisch vermogen en het aantal fakkeluren, op het brandstofverbruik van de inrichting in mindering gebracht.
6. De bepaling van de productie vindt plaats overeenkomstig de gangbare meetpraktijk. Ten genoegen van het bestuur van de emissieautorteit wordt aangetoond dat daarmee de productie voldoende nauwkeurig kan worden bepaald. Indien dit niet kan worden aangetoond, wordt een meetpraktijk gehanteerd waarvan ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat de productie daarmee wel voldoende nauwkeurig kan worden bepaald.
7. Bij de bepaling van de productie, bedoeld in het zesde lid, wordt de productie niet overschat.
8. De procesgegevens die relevant zijn voor de bepaling van het aantal NO x-emissierechten, bedoeld in artikel 18 van het besluit, worden ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit bepaald overeenkomstig de gangbare meetpraktijk.
9. Voor de bepaling van het brandstofverbruik van de NO x-verbrandingsinstallaties voldoet de hoeveelheid brandstof en de stookwaarde aan onzekerheidseisen die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan zijn opgenomen.
10. Voor de bepaling van de productie van de NO x-procesinstallatie voldoet de geproduceerde hoeveelheid aan onzekerheidseisen die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan zijn opgenomen.
a. verbruiksmetingen en de stookwaarde, of
b. rendements- en productiegegevens, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat het technisch niet haalbaar is om de brandstofhoeveelheid te bepalen volgens de methode, bedoeld onder a.
2. De stookwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt bepaald met een frequentie die is afgestemd op de variaties die kunnen optreden in de brandstofsamenstelling.
3. De bepaling van het brandstofverbruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI. Indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat het onmogelijk is of tot onredelijke hoge kosten leidt om aan het eerste lid te voldoen, mag hiervan worden afgeweken, in welk geval tevens ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat het brandstofverbruik op andere wijze voldoende nauwkeurig wordt bepaald.
4. Indien het brandstofverbruik niet overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIkan worden bepaald als bedoeld in het derde lid, wordt bij de bepaling van het brandstofverbruik het brandstofverbruik niet overschat.
5. Indien zich in de inrichting fakkels bevinden en het brandstofverbruik van de fakkels is inbegrepen in de meting, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt dat brandstofverbruik, vastgesteld op basis van de verbruiksmeting en de stookwaarde of op basis van het thermisch vermogen en het aantal fakkeluren, op het brandstofverbruik van de inrichting in mindering gebracht.
6. De bepaling van de productie vindt plaats overeenkomstig de gangbare meetpraktijk. Ten genoegen van het bestuur van de emissieautorteit wordt aangetoond dat daarmee de productie voldoende nauwkeurig kan worden bepaald. Indien dit niet kan worden aangetoond, wordt een meetpraktijk gehanteerd waarvan ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat de productie daarmee wel voldoende nauwkeurig kan worden bepaald.
7. Bij de bepaling van de productie, bedoeld in het zesde lid, wordt de productie niet overschat.
8. De procesgegevens die relevant zijn voor de bepaling van het aantal NO x-emissierechten, bedoeld in artikel 18 van het besluit, worden ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit bepaald overeenkomstig de gangbare meetpraktijk.
9. Voor de bepaling van het brandstofverbruik van de NO x-verbrandingsinstallaties voldoet de hoeveelheid brandstof en de stookwaarde aan onzekerheidseisen die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan zijn opgenomen.
10. Voor de bepaling van de productie van de NO x-procesinstallatie voldoet de geproduceerde hoeveelheid aan onzekerheidseisen die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan zijn opgenomen.