BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 66
Regeling monitoring handel in emissierechten
1. In gevallen waarin de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, onder a, van de wet, vermeldt de aanvrager in het monitoringsplan voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, in elk geval:
a. de beoogde houder van de vergunning;
b. uittreksel uit het handelsregister;
c. de naam, het adres en de ligging van de inrichting;
d. de naam van de contactpersoon van het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor de inrichting te verlenen;
e. de wijze waarop in het emissieverslag verslag wordt gedaan van de N2O-jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik, het grondstofverbruik en de productie en de wijze waarop deze gegevens worden verkregen;
f. de beschikbaarheid en de vakbekwaamheid van de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan worden belast en de wijze waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen deze personen;
g. de wijze waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 71, door een meetinstantie worden verricht, en indien artikel 71, derde lid, van toepassing is: een lijst en een beschrijving van de niet-geaccrediteerde meetinstanties, waarbij in de beschrijving wordt aangegeven dat de meetinstanties werken conform de eisen van de geaccrediteerde meetinstanties;
h. een beschrijving van de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op: 1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 4.5;
2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 4.6;
1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 4.5;
2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 4.6;
i. een beschrijving van de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;
j. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder h, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;
k. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.
2. In het monitoringsplan neemt de aanvrager tevens een beschrijving op alsmede een schematische weergave van:
a. de afbakening van de verzameling N2O-installaties binnen de inrichting;
b. de naam, identificatie en het identificatienummer van elke N2O-installatie die zich in de inrichting bevindt;
c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de materiaalstromen binnen de inrichting;
d. de soort N2O-installaties;
e. de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden en die N2O uitstoten;
f. de aansluiting van de desbetreffende bronnen op de N2O-installaties.
3. In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens:
a. de capaciteit, uitgedrukt in tonnen vervaardigd product per kalenderjaar, van elke zich in de inrichting bevindende N2O-installatie;
b. de verwachte N2O-jaarvracht van elke zich in de inrichting bevindende N2O-installatie afzonderlijk en alle N2O-installaties tezamen;
c. de methode waarmee de totale jaarvracht van N2O van alle N2O-installaties tezamen wordt bepaald.
4. Indien in het monitoringsplan ter onderbouwing van de gevraagde gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid en artikel 67, verwijzingen zijn opgenomen, zijn deze verwijzingen traceerbaar en verifieerbaar.
5. Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van de indiening van het monitoringsplan nog niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 4.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in paragraaf 4.5, voldoet omdat het technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften of de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:
a. de reden waarom degene die de inrichting drijft, niet aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;
b. het tijdstip en de wijze waarop degene die de inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen zal voldoen;
c. de wijze waarop de jaarvracht van N2O wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.
a. de beoogde houder van de vergunning;
b. uittreksel uit het handelsregister;
c. de naam, het adres en de ligging van de inrichting;
d. de naam van de contactpersoon van het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor de inrichting te verlenen;
e. de wijze waarop in het emissieverslag verslag wordt gedaan van de N2O-jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik, het grondstofverbruik en de productie en de wijze waarop deze gegevens worden verkregen;
f. de beschikbaarheid en de vakbekwaamheid van de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan worden belast en de wijze waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen deze personen;
g. de wijze waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 71, door een meetinstantie worden verricht, en indien artikel 71, derde lid, van toepassing is: een lijst en een beschrijving van de niet-geaccrediteerde meetinstanties, waarbij in de beschrijving wordt aangegeven dat de meetinstanties werken conform de eisen van de geaccrediteerde meetinstanties;
h. een beschrijving van de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op: 1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 4.5;
2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 4.6;
1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 4.5;
2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 4.6;
i. een beschrijving van de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;
j. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder h, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;
k. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.
2. In het monitoringsplan neemt de aanvrager tevens een beschrijving op alsmede een schematische weergave van:
a. de afbakening van de verzameling N2O-installaties binnen de inrichting;
b. de naam, identificatie en het identificatienummer van elke N2O-installatie die zich in de inrichting bevindt;
c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de materiaalstromen binnen de inrichting;
d. de soort N2O-installaties;
e. de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden en die N2O uitstoten;
f. de aansluiting van de desbetreffende bronnen op de N2O-installaties.
3. In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens:
a. de capaciteit, uitgedrukt in tonnen vervaardigd product per kalenderjaar, van elke zich in de inrichting bevindende N2O-installatie;
b. de verwachte N2O-jaarvracht van elke zich in de inrichting bevindende N2O-installatie afzonderlijk en alle N2O-installaties tezamen;
c. de methode waarmee de totale jaarvracht van N2O van alle N2O-installaties tezamen wordt bepaald.
4. Indien in het monitoringsplan ter onderbouwing van de gevraagde gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid en artikel 67, verwijzingen zijn opgenomen, zijn deze verwijzingen traceerbaar en verifieerbaar.
5. Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van de indiening van het monitoringsplan nog niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 4.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in paragraaf 4.5, voldoet omdat het technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften of de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:
a. de reden waarom degene die de inrichting drijft, niet aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;
b. het tijdstip en de wijze waarop degene die de inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen zal voldoen;
c. de wijze waarop de jaarvracht van N2O wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.