BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 23
Regeling monitoring handel in emissierechten
1. De in het monitoringsplan beschreven bedrijfsinterne validatieprocedure bestaat uit de volgende activiteiten:
a. het opstellen en beheer van een jaarplan van bedrijfsinterne validatie;
b. het opstellen van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;
c. de registratie van resultaten van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;
d. de controle op de wijze waarop bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden en de correctieve acties die naar aanleiding daarvan zullen worden genomen.
2. Voor elk van de activiteiten in de bedrijfsinterne validatieprocedure wordt een werkomschrijving opgesteld, bestaande uit een beschrijving van:
a. de te valideren meetapparatuur, de berekeningsmethodieken, de uitvoering van vergelijkende metingen en de frequentie daarvan;
b. de wijze waarop in detail en stapsgewijs bedrijfsinterne validatie plaatsvindt;
c. de wijze waarop, de personen door wie en de plaats waar de resultaten van de bedrijfsinterne validatie worden geregistreerd.
3. Indien uit de bedrijfsinterne validatie blijkt dat de gemeten waarde niet valt binnen de toegestane nauwkeurigheidseisen en de voor de bedrijfsinterne validatie geldende streefwaarden volgens de specifieke rekenmethoden, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage II, wordt dit aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld.
a. het opstellen en beheer van een jaarplan van bedrijfsinterne validatie;
b. het opstellen van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;
c. de registratie van resultaten van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;
d. de controle op de wijze waarop bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden en de correctieve acties die naar aanleiding daarvan zullen worden genomen.
2. Voor elk van de activiteiten in de bedrijfsinterne validatieprocedure wordt een werkomschrijving opgesteld, bestaande uit een beschrijving van:
a. de te valideren meetapparatuur, de berekeningsmethodieken, de uitvoering van vergelijkende metingen en de frequentie daarvan;
b. de wijze waarop in detail en stapsgewijs bedrijfsinterne validatie plaatsvindt;
c. de wijze waarop, de personen door wie en de plaats waar de resultaten van de bedrijfsinterne validatie worden geregistreerd.
3. Indien uit de bedrijfsinterne validatie blijkt dat de gemeten waarde niet valt binnen de toegestane nauwkeurigheidseisen en de voor de bedrijfsinterne validatie geldende streefwaarden volgens de specifieke rekenmethoden, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage II, wordt dit aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld.