BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 3a
Regeling monitoring handel in emissierechten
1. Indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, vermeldt de aanvrager in het monitoringsplan voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, in elk geval de volgende gegevens:
a. de beoogde houder van de vergunning;
b. de naam, het adres en de ligging van de inrichting;
c. de naam van de contactpersoon van het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor de inrichting te verlenen;
d. de indeling, de activiteiten en de processen in de inrichting, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de CO2-emissies in de lucht die daardoor kunnen worden veroorzaakt;
e. de wijze waarop in het emissieverslag verslag wordt gedaan van de CO2-jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik, het grondstofverbruik en de productie en de wijze waarop deze gegevens worden verkregen;
f. een overzicht van de beschikbaarheid en de vakbekwaamheid van de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan worden belast en de wijze waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen deze personen;
g. de wijze waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 17, door een meetinstantie worden verricht, en indien artikel 17, derde lid, van toepassing is: een lijst en beschrijving van de niet-geaccrediteerde meetinstanties, waarbij in de beschrijving wordt aangegeven dat de meetinstanties werken conform de eisen van de geaccrediteerde meetinstanties;
h. een beschrijving van de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op: 1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 2.1.5;
2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 2.1.6;
1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 2.1.5;
2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 2.1.6;
i. een beschrijving van de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;
j. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder j, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;
k. een aanduiding of een melding is gedaan overeenkomstig artikel 8, tweede lid;
l. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.
2. In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens een beschrijving alsmede een schematische weergave van:
a. de CO2-installatie die zich in de inrichting bevindt, en de afbakening daarvan binnen de inrichting;
b. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de bronstromen binnen de inrichting;
c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de CO2-eenheden die zich binnen de inrichting bevinden;
d. de herkomst van de bronstromen;
e. de verdeling van de bronstromen over de CO2-eenheden binnen de inrichting;
f. indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden;
g. de aansluiting van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden op de CO2-eenheden;
h. de locatie, de naam, de identificatie en het identificatienummer van de meetinstrumenten die relevant zijn voor de bepaling van CO2-emissies;
i. het afzonderlijke en het totale thermisch vermogen van alle CO2-eenheden met verbrandingsemissies binnen de inrichting;
j. de afzonderlijke en de totale productiecapaciteit van alle CO2-eenheden met procesemissies binnen de inrichting.
3. Indien in het monitoringsplan ter onderbouwing van de gevraagde gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid en in artikel 3, verwijzingen zijn opgenomen, zijn deze verwijzingen traceerbaar en verifieerbaar.
4. Indien de houder van een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, van de weteen uitbreiding van de vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, van de wetaanvraagt, bevat het monitoringsplan tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 36en 37.
5. Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van de indiening van het monitoringsplan nog niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 2.1.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in paragraaf 2.1.5, kan voldoen omdat dit technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften of de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond in het monitoringsplan. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:
a. de reden waarom degene die een inrichting drijft, niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;
b. het tijdstip en de wijze waarop degene die een inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, zal voldoen;
c. de wijze waarop de jaarvracht van CO2 wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.
a. de beoogde houder van de vergunning;
b. de naam, het adres en de ligging van de inrichting;
c. de naam van de contactpersoon van het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor de inrichting te verlenen;
d. de indeling, de activiteiten en de processen in de inrichting, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de CO2-emissies in de lucht die daardoor kunnen worden veroorzaakt;
e. de wijze waarop in het emissieverslag verslag wordt gedaan van de CO2-jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik, het grondstofverbruik en de productie en de wijze waarop deze gegevens worden verkregen;
f. een overzicht van de beschikbaarheid en de vakbekwaamheid van de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan worden belast en de wijze waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen deze personen;
g. de wijze waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 17, door een meetinstantie worden verricht, en indien artikel 17, derde lid, van toepassing is: een lijst en beschrijving van de niet-geaccrediteerde meetinstanties, waarbij in de beschrijving wordt aangegeven dat de meetinstanties werken conform de eisen van de geaccrediteerde meetinstanties;
h. een beschrijving van de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op: 1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 2.1.5;
2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 2.1.6;
1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 2.1.5;
2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 2.1.6;
i. een beschrijving van de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;
j. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder j, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;
k. een aanduiding of een melding is gedaan overeenkomstig artikel 8, tweede lid;
l. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.
2. In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens een beschrijving alsmede een schematische weergave van:
a. de CO2-installatie die zich in de inrichting bevindt, en de afbakening daarvan binnen de inrichting;
b. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de bronstromen binnen de inrichting;
c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de CO2-eenheden die zich binnen de inrichting bevinden;
d. de herkomst van de bronstromen;
e. de verdeling van de bronstromen over de CO2-eenheden binnen de inrichting;
f. indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden;
g. de aansluiting van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden op de CO2-eenheden;
h. de locatie, de naam, de identificatie en het identificatienummer van de meetinstrumenten die relevant zijn voor de bepaling van CO2-emissies;
i. het afzonderlijke en het totale thermisch vermogen van alle CO2-eenheden met verbrandingsemissies binnen de inrichting;
j. de afzonderlijke en de totale productiecapaciteit van alle CO2-eenheden met procesemissies binnen de inrichting.
3. Indien in het monitoringsplan ter onderbouwing van de gevraagde gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid en in artikel 3, verwijzingen zijn opgenomen, zijn deze verwijzingen traceerbaar en verifieerbaar.
4. Indien de houder van een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, van de weteen uitbreiding van de vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, van de wetaanvraagt, bevat het monitoringsplan tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 36en 37.
5. Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van de indiening van het monitoringsplan nog niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 2.1.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in paragraaf 2.1.5, kan voldoen omdat dit technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften of de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond in het monitoringsplan. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:
a. de reden waarom degene die een inrichting drijft, niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;
b. het tijdstip en de wijze waarop degene die een inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, zal voldoen;
c. de wijze waarop de jaarvracht van CO2 wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.