BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 34g
Regeling monitoring handel in emissierechten
Het monitoringsplan bevat in elk geval de volgende gegevens:
a. de identificatiegegevens van de vliegtuigexploitant en een beschrijving van de activiteiten, bedoeld in onderdeel 2 van het standaardformulier, bedoeld in artikel 34f, eerste lid, alsmede de contactgegevens van de vliegtuigexploitant en van een binnen de onderneming ter zake verantwoordelijke persoon als bedoeld in onderdeel 3 van dat standaardformulier;
b. een vermelding van de versie van het monitoringsplan;
c. een initiële lijst van luchtvaartuigtypen in de vloot van de vliegtuigexploitant die op het tijdstip van indiening van het ontwerp van het monitoringsplan in bedrijf zijn alsmede het aantal luchtvaartuigen per type;
d. een indicatieve lijst van extra luchtvaartuigtypen die naar verwachting zullen worden gebruikt, zo mogelijk met vermelding van het geraamde aantal luchtvaartuigen per type en de bij ieder luchtvaartuigtype behorende brandstofstromen;
e. een beschrijving van de gebruikte procedures en systemen en de verantwoordelijkheden inzake controle van de volledigheid van de lijst van luchtvaartuigen die de vliegtuigexploitant tijdens het kalenderjaar heeft gebruikt en waarvoor hij overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is;
f. een beschrijving van de procedures die worden gebruikt ter controle van de volledigheid van de lijst van vluchten die per luchtvaartterreincombinatie plaatsvinden onder de eenduidige ICAO-aanduiding van de vliegtuigexploitant of, indien deze aanduiding niet aanwezig is, onder de registratiemarkering van de luchtvaartuigen die door hem worden geëxploiteerd;
g. een beschrijving van de procedures die worden gebruikt om vast te stellen of een vlucht onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten valt;
h. een schatting van de totale jaarlijkse emissies van fossiel CO2 voor vluchten die onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vallen;
i. een beschrijving van de methoden voor het bepalen van het brandstofverbruik van de luchtvaartuigen waarvoor de vliegtuigexploitant overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is, omvattende in elk geval: 1°. de gekozen methodiek voor de berekening van het brandstofverbruik, te weten methode A of B als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.2;
2°. een onderbouwing van de aanpak indien niet voor alle luchtvaartuigtypen dezelfde methode wordt toegepast, onder toevoeging van een lijst waarin wordt gespecificeerd welke methode in welke omstandigheden wordt toegepast;
3°. de gegevensbron die wordt gebruikt ter bepaling van de gegevens over de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, alsmede de methoden voor overdracht, opslag en raadpleging van die gegevens;
4°. procedures voor de meting van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, inclusief de gekozen niveaus, alsmede een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten en, indien van toepassing, de procedures voor registratie, aflezing, overdracht en opslag van de informatie betreffende de metingen;
5°. de onzekerheid van de meetapparatuur die wordt gebruikt om het brandstofverbruik te bepalen en de onderbouwing, bedoeld in artikel 34q;
6°. een procedure die garandeert dat de totale aan de brandstofmetingen verbonden onzekerheid zodanig is dat wordt voldaan aan de eisen van het gekozen niveau, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.3, met verwijzing naar de kalibratiecertificaten van de meetsystemen, nationale wetgeving, clausules in overeenkomsten of door de brandstofleveranciers gehanteerde nauwkeurigheidsnormen;
7°. de methode ter bepaling van de dichtheid van brandstof;
8°. indien de vliegtuigexploitant bij het bepalen van de dichtheid van brandstof gebruik maakt van standaard dichtheid-temperatuurcorrelatietabellen: een aanduiding van de bron van die tabellen;
9°. de procedures voor de bepaling van de dichtheid van brandstof die bij de bepaling van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks worden toegepast, met inbegrip van een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten, of, indien meting niet mogelijk is, de gebruikte standaardwaarde en een motivering daarvan;
10°. de procedure die wordt gebruikt om te controleren of de hoeveelheid getankte brandstof zoals vermeld in de door de brandstofleverancier verstrekte informatie overeenstemt met de hoeveelheid getankte brandstof zoals gemeten aan boord van het luchtvaartuig;
11°. een lijst van met bijzondere omstandigheden verband houdende afwijkingen van de van toepassing zijnde monitoringsmethodiek zoals opgenomen in de onderdelen 1° tot en met 8° voor specifieke luchtvaartterreinen of typen luchtvaartterreinen;
1°. de gekozen methodiek voor de berekening van het brandstofverbruik, te weten methode A of B als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.2;
2°. een onderbouwing van de aanpak indien niet voor alle luchtvaartuigtypen dezelfde methode wordt toegepast, onder toevoeging van een lijst waarin wordt gespecificeerd welke methode in welke omstandigheden wordt toegepast;
3°. de gegevensbron die wordt gebruikt ter bepaling van de gegevens over de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, alsmede de methoden voor overdracht, opslag en raadpleging van die gegevens;
4°. procedures voor de meting van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, inclusief de gekozen niveaus, alsmede een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten en, indien van toepassing, de procedures voor registratie, aflezing, overdracht en opslag van de informatie betreffende de metingen;
5°. de onzekerheid van de meetapparatuur die wordt gebruikt om het brandstofverbruik te bepalen en de onderbouwing, bedoeld in artikel 34q;
6°. een procedure die garandeert dat de totale aan de brandstofmetingen verbonden onzekerheid zodanig is dat wordt voldaan aan de eisen van het gekozen niveau, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.3, met verwijzing naar de kalibratiecertificaten van de meetsystemen, nationale wetgeving, clausules in overeenkomsten of door de brandstofleveranciers gehanteerde nauwkeurigheidsnormen;
7°. de methode ter bepaling van de dichtheid van brandstof;
8°. indien de vliegtuigexploitant bij het bepalen van de dichtheid van brandstof gebruik maakt van standaard dichtheid-temperatuurcorrelatietabellen: een aanduiding van de bron van die tabellen;
9°. de procedures voor de bepaling van de dichtheid van brandstof die bij de bepaling van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks worden toegepast, met inbegrip van een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten, of, indien meting niet mogelijk is, de gebruikte standaardwaarde en een motivering daarvan;
10°. de procedure die wordt gebruikt om te controleren of de hoeveelheid getankte brandstof zoals vermeld in de door de brandstofleverancier verstrekte informatie overeenstemt met de hoeveelheid getankte brandstof zoals gemeten aan boord van het luchtvaartuig;
11°. een lijst van met bijzondere omstandigheden verband houdende afwijkingen van de van toepassing zijnde monitoringsmethodiek zoals opgenomen in de onderdelen 1° tot en met 8° voor specifieke luchtvaartterreinen of typen luchtvaartterreinen;
j. de emissiefactoren voor ieder brandstoftype, of, in het geval van alternatieve brandstoffen, de methodiek ter bepaling van de emissiefactoren, inclusief de aanpak inzake bemonstering en analysemethoden, en een beschrijving van de gebruikte meetinstanties en hun accreditatie of hun kwaliteitsborgingsprocedures als bedoeld in artikel 34s;
k. een beschrijving van de methode waarmee ontbrekende gegevens worden vastgesteld, bedoeld in artikel 34r;
l. een beschrijving van de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34u, en de controleactiviteiten, bedoeld in artikel 34x en de artikelen 34z tot en met 34af, met inbegrip van een verwijzing naar de procedures voor het vaststellen van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34v, en een beschrijving van de procedures voor controleactiviteiten als bedoeld in artikel 34y;
m. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieubeheerssysteem.
a. de identificatiegegevens van de vliegtuigexploitant en een beschrijving van de activiteiten, bedoeld in onderdeel 2 van het standaardformulier, bedoeld in artikel 34f, eerste lid, alsmede de contactgegevens van de vliegtuigexploitant en van een binnen de onderneming ter zake verantwoordelijke persoon als bedoeld in onderdeel 3 van dat standaardformulier;
b. een vermelding van de versie van het monitoringsplan;
c. een initiële lijst van luchtvaartuigtypen in de vloot van de vliegtuigexploitant die op het tijdstip van indiening van het ontwerp van het monitoringsplan in bedrijf zijn alsmede het aantal luchtvaartuigen per type;
d. een indicatieve lijst van extra luchtvaartuigtypen die naar verwachting zullen worden gebruikt, zo mogelijk met vermelding van het geraamde aantal luchtvaartuigen per type en de bij ieder luchtvaartuigtype behorende brandstofstromen;
e. een beschrijving van de gebruikte procedures en systemen en de verantwoordelijkheden inzake controle van de volledigheid van de lijst van luchtvaartuigen die de vliegtuigexploitant tijdens het kalenderjaar heeft gebruikt en waarvoor hij overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is;
f. een beschrijving van de procedures die worden gebruikt ter controle van de volledigheid van de lijst van vluchten die per luchtvaartterreincombinatie plaatsvinden onder de eenduidige ICAO-aanduiding van de vliegtuigexploitant of, indien deze aanduiding niet aanwezig is, onder de registratiemarkering van de luchtvaartuigen die door hem worden geëxploiteerd;
g. een beschrijving van de procedures die worden gebruikt om vast te stellen of een vlucht onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten valt;
h. een schatting van de totale jaarlijkse emissies van fossiel CO2 voor vluchten die onder bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vallen;
i. een beschrijving van de methoden voor het bepalen van het brandstofverbruik van de luchtvaartuigen waarvoor de vliegtuigexploitant overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen XVIII, hoofdstuk XVIII.1, en XIX, hoofdstuk XIX.1, verantwoordelijk is, omvattende in elk geval: 1°. de gekozen methodiek voor de berekening van het brandstofverbruik, te weten methode A of B als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.2;
2°. een onderbouwing van de aanpak indien niet voor alle luchtvaartuigtypen dezelfde methode wordt toegepast, onder toevoeging van een lijst waarin wordt gespecificeerd welke methode in welke omstandigheden wordt toegepast;
3°. de gegevensbron die wordt gebruikt ter bepaling van de gegevens over de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, alsmede de methoden voor overdracht, opslag en raadpleging van die gegevens;
4°. procedures voor de meting van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, inclusief de gekozen niveaus, alsmede een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten en, indien van toepassing, de procedures voor registratie, aflezing, overdracht en opslag van de informatie betreffende de metingen;
5°. de onzekerheid van de meetapparatuur die wordt gebruikt om het brandstofverbruik te bepalen en de onderbouwing, bedoeld in artikel 34q;
6°. een procedure die garandeert dat de totale aan de brandstofmetingen verbonden onzekerheid zodanig is dat wordt voldaan aan de eisen van het gekozen niveau, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.3, met verwijzing naar de kalibratiecertificaten van de meetsystemen, nationale wetgeving, clausules in overeenkomsten of door de brandstofleveranciers gehanteerde nauwkeurigheidsnormen;
7°. de methode ter bepaling van de dichtheid van brandstof;
8°. indien de vliegtuigexploitant bij het bepalen van de dichtheid van brandstof gebruik maakt van standaard dichtheid-temperatuurcorrelatietabellen: een aanduiding van de bron van die tabellen;
9°. de procedures voor de bepaling van de dichtheid van brandstof die bij de bepaling van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks worden toegepast, met inbegrip van een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten, of, indien meting niet mogelijk is, de gebruikte standaardwaarde en een motivering daarvan;
10°. de procedure die wordt gebruikt om te controleren of de hoeveelheid getankte brandstof zoals vermeld in de door de brandstofleverancier verstrekte informatie overeenstemt met de hoeveelheid getankte brandstof zoals gemeten aan boord van het luchtvaartuig;
11°. een lijst van met bijzondere omstandigheden verband houdende afwijkingen van de van toepassing zijnde monitoringsmethodiek zoals opgenomen in de onderdelen 1° tot en met 8° voor specifieke luchtvaartterreinen of typen luchtvaartterreinen;
1°. de gekozen methodiek voor de berekening van het brandstofverbruik, te weten methode A of B als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.2;
2°. een onderbouwing van de aanpak indien niet voor alle luchtvaartuigtypen dezelfde methode wordt toegepast, onder toevoeging van een lijst waarin wordt gespecificeerd welke methode in welke omstandigheden wordt toegepast;
3°. de gegevensbron die wordt gebruikt ter bepaling van de gegevens over de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, alsmede de methoden voor overdracht, opslag en raadpleging van die gegevens;
4°. procedures voor de meting van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks, inclusief de gekozen niveaus, alsmede een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten en, indien van toepassing, de procedures voor registratie, aflezing, overdracht en opslag van de informatie betreffende de metingen;
5°. de onzekerheid van de meetapparatuur die wordt gebruikt om het brandstofverbruik te bepalen en de onderbouwing, bedoeld in artikel 34q;
6°. een procedure die garandeert dat de totale aan de brandstofmetingen verbonden onzekerheid zodanig is dat wordt voldaan aan de eisen van het gekozen niveau, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XVIII, hoofdstuk XVIII.2, paragraaf 2.3, met verwijzing naar de kalibratiecertificaten van de meetsystemen, nationale wetgeving, clausules in overeenkomsten of door de brandstofleveranciers gehanteerde nauwkeurigheidsnormen;
7°. de methode ter bepaling van de dichtheid van brandstof;
8°. indien de vliegtuigexploitant bij het bepalen van de dichtheid van brandstof gebruik maakt van standaard dichtheid-temperatuurcorrelatietabellen: een aanduiding van de bron van die tabellen;
9°. de procedures voor de bepaling van de dichtheid van brandstof die bij de bepaling van de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks worden toegepast, met inbegrip van een beschrijving van de gebruikte meetinstrumenten, of, indien meting niet mogelijk is, de gebruikte standaardwaarde en een motivering daarvan;
10°. de procedure die wordt gebruikt om te controleren of de hoeveelheid getankte brandstof zoals vermeld in de door de brandstofleverancier verstrekte informatie overeenstemt met de hoeveelheid getankte brandstof zoals gemeten aan boord van het luchtvaartuig;
11°. een lijst van met bijzondere omstandigheden verband houdende afwijkingen van de van toepassing zijnde monitoringsmethodiek zoals opgenomen in de onderdelen 1° tot en met 8° voor specifieke luchtvaartterreinen of typen luchtvaartterreinen;
j. de emissiefactoren voor ieder brandstoftype, of, in het geval van alternatieve brandstoffen, de methodiek ter bepaling van de emissiefactoren, inclusief de aanpak inzake bemonstering en analysemethoden, en een beschrijving van de gebruikte meetinstanties en hun accreditatie of hun kwaliteitsborgingsprocedures als bedoeld in artikel 34s;
k. een beschrijving van de methode waarmee ontbrekende gegevens worden vastgesteld, bedoeld in artikel 34r;
l. een beschrijving van de gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34u, en de controleactiviteiten, bedoeld in artikel 34x en de artikelen 34z tot en met 34af, met inbegrip van een verwijzing naar de procedures voor het vaststellen van gegevensverzamelings- en verwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 34v, en een beschrijving van de procedures voor controleactiviteiten als bedoeld in artikel 34y;
m. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieubeheerssysteem.