BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 15a
Regeling monitoring handel in emissierechten
1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de jaarlijkse onzekerheid van het meetinstrument waarmee de hoeveelheid bronstroom wordt gemeten overeenkomstig de norm EN ISO 5168:2005 en de ‘Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement’, ISO/TAG 4.
2. Bij het bepalen van de onzekerheid van het meetinstrument wordt rekening gehouden met de voor dat instrument specifieke onzekerheid en de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert en wordt gebruikt.
3. In afwijking van het eerste lid mag degene die een inrichting drijft, de voor het meetinstrument specifieke onzekerheid als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XIVhanteren op voorwaarde dat het meetinstrument voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in de bij deze regeling behorende bijlage XIV.
4. Indien het meetinstrument niet aan de eisen als bedoeld in het derde lid voldoet, telt degene die een inrichting drijft, een conservatieve en onderbouwde schatting van het effect dat het niet voldoen aan deze eisen heeft op de onzekerheid van het meetinstrument, op bij de onzekerheid als bedoeld in het derde lid.
5. Indien het meetinstrument niet in de bij deze regeling behorende bijlage XIVwordt genoemd als bedoeld in het derde lid, baseert degene die een inrichting drijft, de jaarlijkse onzekerheid van het meetinstrument en de voor dat instrument specifieke voorwaarden op de gegevens van de leverancier van het meetinstrument.
6. De additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt, wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit bepaald door middel van een conservatieve en onderbouwde schatting.
7. In afwijking van het zesde lid mag degene die een inrichting drijft, een onzekerheid van 0% hanteren voor de additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt indien:
a. het meetinstrument is ingebouwd volgens de voorschriften van de meetfabrikant of, indien deze voorschriften niet beschikbaar zijn, volgens de algemene voorschriften die gelden voor het meetprincipe,
b. het gas, de vloeistof of de vaste stof die door het meetinstrument wordt gemeten, een medium is waarvoor het meetinstrument is ontworpen volgens de voorschriften van de meetfabrikant of indien deze voorschriften niet beschikbaar zijn, volgens de algemene voorschriften die gelden voor het meetprincipe en
c. de onzekerheid niet nadelig is beïnvloed door andere factoren.
8. In afwijking van het zesde lid mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, voldoet, een onzekerheid van 0% hanteren voor de additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt.
9. Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters corrigeert degene die een inrichting drijft, de hoeveelheid gas overeenkomstig bijlage XIII.1.
10. Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters telt degene die een inrichting drijft, de onzekerheden van de drukmeting en de temperatuurmeting als onafhankelijke parameters op bij de onzekerheid van de gasmeter als bedoeld in bijlage XIII.1indien er sprake is van drukcorrectie en een temperatuurcorrectie aan de hand van drukmetingen en temperatuurmetingen bij de betreffende gasmeter.
11. De onzekerheid van het meetinstrument wordt bepaald door de onzekerheid als bedoeld in het derde en zesde lid en, indien van toepassing, het tiende lid op te tellen overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIII, hoofdstuk XIII.2.
2. Bij het bepalen van de onzekerheid van het meetinstrument wordt rekening gehouden met de voor dat instrument specifieke onzekerheid en de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert en wordt gebruikt.
3. In afwijking van het eerste lid mag degene die een inrichting drijft, de voor het meetinstrument specifieke onzekerheid als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XIVhanteren op voorwaarde dat het meetinstrument voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in de bij deze regeling behorende bijlage XIV.
4. Indien het meetinstrument niet aan de eisen als bedoeld in het derde lid voldoet, telt degene die een inrichting drijft, een conservatieve en onderbouwde schatting van het effect dat het niet voldoen aan deze eisen heeft op de onzekerheid van het meetinstrument, op bij de onzekerheid als bedoeld in het derde lid.
5. Indien het meetinstrument niet in de bij deze regeling behorende bijlage XIVwordt genoemd als bedoeld in het derde lid, baseert degene die een inrichting drijft, de jaarlijkse onzekerheid van het meetinstrument en de voor dat instrument specifieke voorwaarden op de gegevens van de leverancier van het meetinstrument.
6. De additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt, wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit bepaald door middel van een conservatieve en onderbouwde schatting.
7. In afwijking van het zesde lid mag degene die een inrichting drijft, een onzekerheid van 0% hanteren voor de additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt indien:
a. het meetinstrument is ingebouwd volgens de voorschriften van de meetfabrikant of, indien deze voorschriften niet beschikbaar zijn, volgens de algemene voorschriften die gelden voor het meetprincipe,
b. het gas, de vloeistof of de vaste stof die door het meetinstrument wordt gemeten, een medium is waarvoor het meetinstrument is ontworpen volgens de voorschriften van de meetfabrikant of indien deze voorschriften niet beschikbaar zijn, volgens de algemene voorschriften die gelden voor het meetprincipe en
c. de onzekerheid niet nadelig is beïnvloed door andere factoren.
8. In afwijking van het zesde lid mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, voldoet, een onzekerheid van 0% hanteren voor de additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt.
9. Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters corrigeert degene die een inrichting drijft, de hoeveelheid gas overeenkomstig bijlage XIII.1.
10. Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters telt degene die een inrichting drijft, de onzekerheden van de drukmeting en de temperatuurmeting als onafhankelijke parameters op bij de onzekerheid van de gasmeter als bedoeld in bijlage XIII.1indien er sprake is van drukcorrectie en een temperatuurcorrectie aan de hand van drukmetingen en temperatuurmetingen bij de betreffende gasmeter.
11. De onzekerheid van het meetinstrument wordt bepaald door de onzekerheid als bedoeld in het derde en zesde lid en, indien van toepassing, het tiende lid op te tellen overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIII, hoofdstuk XIII.2.