BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 37
Regeling monitoring handel in emissierechten
1. Onverminderd artikel 36wordt in het monitoringsplan voor elke NO x-installatie die zich in de inrichting bevindt, de te hanteren monitoringsmethodiek aangegeven, ten minste bestaande uit:
a. de soort NOx-installatie;
b. de klasse van de NOx-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X;
c. de wijze waarop of de mate waarin de NOx-installatie met wisselende belasting of wisselende brandstof wordt gestookt, alsmede de aard van de bedrijfsvoering;
d. de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de jaarvracht van NOx worden gebruikt;
e. een schatting van de jaarvracht van NOx met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing daarvan;
f. de methode waarmee per NOx-installatie de jaarvracht van NOx wordt bepaald met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing daarvan;
g. de methode waarmee per NOx-installatie in geval van een NOx-verbrandingsinstallatie het brandstofverbruik, of in geval van een NOx-procesinstallatie de productie wordt bepaald;
h. de wijze waarop de totale NOx-jaarvracht wordt bepaald, alsmede de gehanteerde formules;
i. de wijze waarop de onder e tot en met g bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;
j. de methode waarmee het aantal opgebouwde NOx-emissierechten wordt berekend alsmede de gehanteerde formule;
k. de naam, de identificatie, het identificatienummer, het meetbereik en de kalibratiefrequentie van het meetinstrument dat relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;
l. een onderbouwing van de onzekerheid en de onzekerheidsbepaling die samenhangen met de meetinstrumenten, die relevant zijn voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;
m. de gegevens waaruit blijkt dat de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het besluit en artikel 42, derde lid, zijn nageleefd;
n. de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 46, zevende en achtste lid;
o. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem.
2. In het monitoringsplan wordt per NO x-installatie aangegeven of deze onder de reikwijdte van het Besluit verbranden afvalstoffenof het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer Avalt.
3. In het monitoringsplan wordt aangegeven of de inrichting meer dan 3000 uren per kalenderjaar in bedrijf is.
4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid wordt in het monitoringsplan voor elke NO x-installatie die behoort tot klasse 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage Xten minste opgenomen:
a. een beschrijving van de toegepaste technologie en de aanwezige maatregelen ter bestrijding van de NOx-emissies;
b. een beschrijving van de van de normale bedrijfsvoering afwijkende verbrandings- of procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de NOx-emissies tijdens de afwijkende verbrandings- en procesomstandigheden;
c. of de norm NEN-EN 14181 is toegepast op het NOx-meetsysteem;
d. een beschrijving van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van het brandstofverbruik of de productie, waarbij in ieder geval worden vermeld: 1°. de omrekeningsfactoren die benodigd zijn om tot berekening van de jaarvracht van NOx en berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;
2°. het te hanteren meetprincipe, de frequentie waarmee monsters worden genomen, de op grond van artikel 43 van toepassing zijnde norm, en de middelingstijd;
3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;
4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;
5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, indien de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, onder aanduiding van de omstandigheden waaronder de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;
6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarop deze waarde wordt vastgesteld, of een kental dat is vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.
1°. de omrekeningsfactoren die benodigd zijn om tot berekening van de jaarvracht van NOx en berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;
2°. het te hanteren meetprincipe, de frequentie waarmee monsters worden genomen, de op grond van artikel 43 van toepassing zijnde norm, en de middelingstijd;
3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;
4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;
5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, indien de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, onder aanduiding van de omstandigheden waaronder de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;
6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarop deze waarde wordt vastgesteld, of een kental dat is vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.
5. Indien er sprake is van een geautomatiseerd systeem waarbij de relatie tussen de parameters, de NO x-emissies en het brandstofverbruik of de productie ingevolge het vierde lid, onderdeel d, onder 4°, niet kan worden vermeld, wordt die relatie ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit op een andere wijze omschreven.
6. De methode, bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, onder 6°, leidt niet tot een onderschatting van de jaarvracht van NO xen kan slechts tijdelijk worden gehanteerd, met een maximum van zes maanden.
7. Onverminderd het eerste tot en met derde lid wordt in het monitoringsplan voor elke NO x-installatie die behoort tot klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage Xten minste opgenomen:
a. een beschrijving van de te hanteren kentallen en de wijze waarop deze worden verkregen;
b. een beschrijving van de toegepaste technologie en de aanwezige maatregelen ter bestrijding van de NOx-emissies;
c. een beschrijving van de van de normale bedrijfsvoering afwijkende verbrandings- of procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de NOx-emissies tijdens de afwijkende verbrandings- en procesomstandigheden;
d. een beschrijving van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx, en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van het brandstofverbruik of de productie, waarbij in ieder geval worden vermeld: 1°. de omrekeningsfactoren die nodig zijn om tot de berekening van de jaarvracht van NOx en tot de berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;
2°. het te hanteren meetprincipe en de middelingstijd;
3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;
4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;
5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, alsmede de te hanteren alternatieve methode, als buiten het geldigheidsgebied wordt gewerkt, waarbij wordt aangegeven bij welke omstandigheden de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;
6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt, of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarmee deze waarde wordt vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.
1°. de omrekeningsfactoren die nodig zijn om tot de berekening van de jaarvracht van NOx en tot de berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;
2°. het te hanteren meetprincipe en de middelingstijd;
3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;
4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;
5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, alsmede de te hanteren alternatieve methode, als buiten het geldigheidsgebied wordt gewerkt, waarbij wordt aangegeven bij welke omstandigheden de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;
6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt, of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarmee deze waarde wordt vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.
8. De methode, bedoeld in het zevende lid, onderdeel d, onder 6°, leidt niet tot een onderschatting van de jaarvracht van NO xen kan slechts tijdelijk worden gehanteerd, met een maximum van zes maanden.
a. de soort NOx-installatie;
b. de klasse van de NOx-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X;
c. de wijze waarop of de mate waarin de NOx-installatie met wisselende belasting of wisselende brandstof wordt gestookt, alsmede de aard van de bedrijfsvoering;
d. de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de jaarvracht van NOx worden gebruikt;
e. een schatting van de jaarvracht van NOx met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing daarvan;
f. de methode waarmee per NOx-installatie de jaarvracht van NOx wordt bepaald met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing daarvan;
g. de methode waarmee per NOx-installatie in geval van een NOx-verbrandingsinstallatie het brandstofverbruik, of in geval van een NOx-procesinstallatie de productie wordt bepaald;
h. de wijze waarop de totale NOx-jaarvracht wordt bepaald, alsmede de gehanteerde formules;
i. de wijze waarop de onder e tot en met g bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;
j. de methode waarmee het aantal opgebouwde NOx-emissierechten wordt berekend alsmede de gehanteerde formule;
k. de naam, de identificatie, het identificatienummer, het meetbereik en de kalibratiefrequentie van het meetinstrument dat relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;
l. een onderbouwing van de onzekerheid en de onzekerheidsbepaling die samenhangen met de meetinstrumenten, die relevant zijn voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;
m. de gegevens waaruit blijkt dat de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het besluit en artikel 42, derde lid, zijn nageleefd;
n. de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 46, zevende en achtste lid;
o. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem.
2. In het monitoringsplan wordt per NO x-installatie aangegeven of deze onder de reikwijdte van het Besluit verbranden afvalstoffenof het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer Avalt.
3. In het monitoringsplan wordt aangegeven of de inrichting meer dan 3000 uren per kalenderjaar in bedrijf is.
4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid wordt in het monitoringsplan voor elke NO x-installatie die behoort tot klasse 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage Xten minste opgenomen:
a. een beschrijving van de toegepaste technologie en de aanwezige maatregelen ter bestrijding van de NOx-emissies;
b. een beschrijving van de van de normale bedrijfsvoering afwijkende verbrandings- of procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de NOx-emissies tijdens de afwijkende verbrandings- en procesomstandigheden;
c. of de norm NEN-EN 14181 is toegepast op het NOx-meetsysteem;
d. een beschrijving van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van het brandstofverbruik of de productie, waarbij in ieder geval worden vermeld: 1°. de omrekeningsfactoren die benodigd zijn om tot berekening van de jaarvracht van NOx en berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;
2°. het te hanteren meetprincipe, de frequentie waarmee monsters worden genomen, de op grond van artikel 43 van toepassing zijnde norm, en de middelingstijd;
3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;
4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;
5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, indien de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, onder aanduiding van de omstandigheden waaronder de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;
6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarop deze waarde wordt vastgesteld, of een kental dat is vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.
1°. de omrekeningsfactoren die benodigd zijn om tot berekening van de jaarvracht van NOx en berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;
2°. het te hanteren meetprincipe, de frequentie waarmee monsters worden genomen, de op grond van artikel 43 van toepassing zijnde norm, en de middelingstijd;
3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;
4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;
5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, indien de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, onder aanduiding van de omstandigheden waaronder de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;
6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarop deze waarde wordt vastgesteld, of een kental dat is vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.
5. Indien er sprake is van een geautomatiseerd systeem waarbij de relatie tussen de parameters, de NO x-emissies en het brandstofverbruik of de productie ingevolge het vierde lid, onderdeel d, onder 4°, niet kan worden vermeld, wordt die relatie ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit op een andere wijze omschreven.
6. De methode, bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, onder 6°, leidt niet tot een onderschatting van de jaarvracht van NO xen kan slechts tijdelijk worden gehanteerd, met een maximum van zes maanden.
7. Onverminderd het eerste tot en met derde lid wordt in het monitoringsplan voor elke NO x-installatie die behoort tot klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage Xten minste opgenomen:
a. een beschrijving van de te hanteren kentallen en de wijze waarop deze worden verkregen;
b. een beschrijving van de toegepaste technologie en de aanwezige maatregelen ter bestrijding van de NOx-emissies;
c. een beschrijving van de van de normale bedrijfsvoering afwijkende verbrandings- of procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de NOx-emissies tijdens de afwijkende verbrandings- en procesomstandigheden;
d. een beschrijving van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx, en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van het brandstofverbruik of de productie, waarbij in ieder geval worden vermeld: 1°. de omrekeningsfactoren die nodig zijn om tot de berekening van de jaarvracht van NOx en tot de berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;
2°. het te hanteren meetprincipe en de middelingstijd;
3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;
4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;
5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, alsmede de te hanteren alternatieve methode, als buiten het geldigheidsgebied wordt gewerkt, waarbij wordt aangegeven bij welke omstandigheden de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;
6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt, of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarmee deze waarde wordt vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.
1°. de omrekeningsfactoren die nodig zijn om tot de berekening van de jaarvracht van NOx en tot de berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;
2°. het te hanteren meetprincipe en de middelingstijd;
3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;
4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;
5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, alsmede de te hanteren alternatieve methode, als buiten het geldigheidsgebied wordt gewerkt, waarbij wordt aangegeven bij welke omstandigheden de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;
6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt, of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarmee deze waarde wordt vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.
8. De methode, bedoeld in het zevende lid, onderdeel d, onder 6°, leidt niet tot een onderschatting van de jaarvracht van NO xen kan slechts tijdelijk worden gehanteerd, met een maximum van zes maanden.