BWBR0017699
Geldig vanaf 2010-02-05
Artikel 17
Regeling monitoring handel in emissierechten
1. Werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid worden verricht door een meetinstantie die voor deze verrichtingen door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.
2. De door een meetinstantie uit te voeren werkzaamheden omvatten in elk geval:
a. de bepaling van de emissiefactor, het koolstofgehalte en de calorische onderwaarde van de brandstof, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.1;
b. de bepaling van emissiefactoren van de procesemissies, conversiefactoren en gegevens over de samenstelling van ingezette materialen en eindmaterialen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.3;
c. de bepaling van specifieke oxidatiefactoren en onderliggende gegevens, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.2;
d. de bepaling van de biomassafractie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.4;
e. de uitvoering van parallelle metingen die plaatsvinden in het kader van de kwaliteitsborging van continue metingen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
3. In afwijking van het eerste lid mag voor de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, een meetinstantie worden ingeschakeld die voor het uitvoeren van deze verrichtingen niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont:
a. dat deze meetinstantie voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. dat deze meetinstantie technisch competent en in staat is om technisch geldige resultaten te genereren waarbij relevante analytische procedures worden gebruikt.
4. Indien een meetinstantie wordt ingeschakeld als bedoeld in het derde lid, vindt bij de totstandkoming van het contract tussen degene die een inrichting drijft, en deze meetinstantie een validatie van elke relevante analysemethode plaats alsmede een jaarlijkse onderlinge vergelijking van de analyseresultaten.
5. De validatie van elke relevante analysemethode die door de meetinstantie wordt toegepast, wordt uitgevoerd met een referentiemethode door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd. De validatie omvat een voldoende aantal herhalingen van de analysemethode van een reeks van ten minste vijf monsters die representatief zijn voor het verwachte waardenbereik, inclusief een blancomonster voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal.
6. De onderlinge vergelijking van de resultaten van de relevante analytische methoden vindt jaarlijks plaats door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd waarbij:
a. voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal de analyse van een representatief monster met behulp van de referentiemethode ten minste vijfmaal wordt herhaald;
b. indien een verschil wordt vastgesteld dat zodanig is dat de emissies zouden kunnen worden onderschat: degene die de inrichting drijft: 1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt;
2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.
1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt;
2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.
7. In afwijking van het eerste lid mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, eerste lid, voldoet, voor werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid een meetinstantie inschakelen die niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005 op voorwaarde dat:
a. hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat deze meetinstantie over de technische competentie beschikt en in staat is om middels de betrokken analytische procedures technisch geldige resultaten te produceren, en
b. deze meetinstantie jaarlijks wordt gevalideerd door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd en zo nodig naar aanleiding hiervan corrigerende maatregelen treft.
8. Voor de bepaling van de gegevens over de samenstelling van gasvormige brandstoffen en materialen mag ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit gebruik worden gemaakt van on-line gaschromatografen en analyses met behulp van gasanalyseapparatuur, welke voldoen aan de eisen van EN ISO 9001:2000.
9. Kalibratiediensten en leveranciers van kalibratiegassen zijn door een accreditatie-instantie geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.
10. Indien gebruik wordt gemaakt van een systeem als bedoeld in het achtste lid worden initiële en jaarlijkse herhaalde validaties van dit systeem uitgevoerd door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd, waarbij EN ISO 10723:1995 ‘Natural gas- Performance evaluation for on-line analytical systems’ wordt toegepast.
11. In alle andere gevallen dan bedoeld in het tiende lid vinden in opdracht van degene die een inrichting drijft, een initiële validatie en een jaarlijkse onderlinge vergelijking van de analyseresultaten plaats.
12. De initiële validatie, bedoeld in het elfde lid, vindt plaats voor 31 januari 2008, dan wel als onderdeel van de inbedrijfstelling van een nieuw systeem als bedoeld in het achtste lid. Zij omvat een passend aantal herhalingen van de analyse van een reeks van ten minste vijf monsters die representatief zijn voor het verwachte waardenbereik, inclusief een blancomonster voor elke relevante parameter, brandstof of materiaal, teneinde de herhaalbaarheid van de methode te karakteriseren en de kalibratiecurve van het instrument op te stellen.
13. De onderlinge vergelijking van de resultaten van de analytische methoden, bedoeld in het elfde lid, vindt jaarlijks plaats waarbij:
a. voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal de analyse van een representatief monster met behulp van de referentiemethode een passend aantal keren wordt herhaald;
b. indien een verschil wordt vastgesteld dat zodanig is dat de emissies zouden kunnen worden onderschat degene die de inrichting drijft: 1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt, en
2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.
1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt, en
2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.
14. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwetis paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrechtniet van toepassing op de aanvraag om accreditatie als bedoeld in het eerste lid.
2. De door een meetinstantie uit te voeren werkzaamheden omvatten in elk geval:
a. de bepaling van de emissiefactor, het koolstofgehalte en de calorische onderwaarde van de brandstof, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.1;
b. de bepaling van emissiefactoren van de procesemissies, conversiefactoren en gegevens over de samenstelling van ingezette materialen en eindmaterialen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.3;
c. de bepaling van specifieke oxidatiefactoren en onderliggende gegevens, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.2;
d. de bepaling van de biomassafractie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.4;
e. de uitvoering van parallelle metingen die plaatsvinden in het kader van de kwaliteitsborging van continue metingen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
3. In afwijking van het eerste lid mag voor de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, een meetinstantie worden ingeschakeld die voor het uitvoeren van deze verrichtingen niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont:
a. dat deze meetinstantie voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. dat deze meetinstantie technisch competent en in staat is om technisch geldige resultaten te genereren waarbij relevante analytische procedures worden gebruikt.
4. Indien een meetinstantie wordt ingeschakeld als bedoeld in het derde lid, vindt bij de totstandkoming van het contract tussen degene die een inrichting drijft, en deze meetinstantie een validatie van elke relevante analysemethode plaats alsmede een jaarlijkse onderlinge vergelijking van de analyseresultaten.
5. De validatie van elke relevante analysemethode die door de meetinstantie wordt toegepast, wordt uitgevoerd met een referentiemethode door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd. De validatie omvat een voldoende aantal herhalingen van de analysemethode van een reeks van ten minste vijf monsters die representatief zijn voor het verwachte waardenbereik, inclusief een blancomonster voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal.
6. De onderlinge vergelijking van de resultaten van de relevante analytische methoden vindt jaarlijks plaats door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd waarbij:
a. voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal de analyse van een representatief monster met behulp van de referentiemethode ten minste vijfmaal wordt herhaald;
b. indien een verschil wordt vastgesteld dat zodanig is dat de emissies zouden kunnen worden onderschat: degene die de inrichting drijft: 1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt;
2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.
1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt;
2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.
7. In afwijking van het eerste lid mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, eerste lid, voldoet, voor werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid een meetinstantie inschakelen die niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005 op voorwaarde dat:
a. hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat deze meetinstantie over de technische competentie beschikt en in staat is om middels de betrokken analytische procedures technisch geldige resultaten te produceren, en
b. deze meetinstantie jaarlijks wordt gevalideerd door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd en zo nodig naar aanleiding hiervan corrigerende maatregelen treft.
8. Voor de bepaling van de gegevens over de samenstelling van gasvormige brandstoffen en materialen mag ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit gebruik worden gemaakt van on-line gaschromatografen en analyses met behulp van gasanalyseapparatuur, welke voldoen aan de eisen van EN ISO 9001:2000.
9. Kalibratiediensten en leveranciers van kalibratiegassen zijn door een accreditatie-instantie geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.
10. Indien gebruik wordt gemaakt van een systeem als bedoeld in het achtste lid worden initiële en jaarlijkse herhaalde validaties van dit systeem uitgevoerd door een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd, waarbij EN ISO 10723:1995 ‘Natural gas- Performance evaluation for on-line analytical systems’ wordt toegepast.
11. In alle andere gevallen dan bedoeld in het tiende lid vinden in opdracht van degene die een inrichting drijft, een initiële validatie en een jaarlijkse onderlinge vergelijking van de analyseresultaten plaats.
12. De initiële validatie, bedoeld in het elfde lid, vindt plaats voor 31 januari 2008, dan wel als onderdeel van de inbedrijfstelling van een nieuw systeem als bedoeld in het achtste lid. Zij omvat een passend aantal herhalingen van de analyse van een reeks van ten minste vijf monsters die representatief zijn voor het verwachte waardenbereik, inclusief een blancomonster voor elke relevante parameter, brandstof of materiaal, teneinde de herhaalbaarheid van de methode te karakteriseren en de kalibratiecurve van het instrument op te stellen.
13. De onderlinge vergelijking van de resultaten van de analytische methoden, bedoeld in het elfde lid, vindt jaarlijks plaats waarbij:
a. voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal de analyse van een representatief monster met behulp van de referentiemethode een passend aantal keren wordt herhaald;
b. indien een verschil wordt vastgesteld dat zodanig is dat de emissies zouden kunnen worden onderschat degene die de inrichting drijft: 1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt, en
2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.
1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt, en
2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een meetinstantie die door een accreditatie-instantie volgens EN ISO 17025:2005 is geaccrediteerd.
14. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwetis paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrechtniet van toepassing op de aanvraag om accreditatie als bedoeld in het eerste lid.